|
Vocabulaire voetbal .
![]() Oorspronkelijk verschenen
als Voetbalwoordenboek, door Jaap van der Wijk, Uitgeverij
Kosmos Z&K, Utrecht / Antwerpen 1997, ISBN: 90-215-9249-5
Voor Rianto van Hinte (Rapid Wien, PSV), *1979 - †1995.
Verklaring
der tekens
(d)
= duits
(e) = engels (f) = frans (i) = italiaans (s) = spaans
Woord vooraf Voetbal is een Engelse uitvinding. De sport is in de vorige eeuw naar het vasteland van Europa geëxporteerd, en dat is nog altijd te bespeuren in het voetbalvocabulaire. In dit woordenboek zult u dus veel Engelse begrippen aantreffen, alsmede een aantal Duitse begrippen die eveneens zijn ingeburgerd. Daarnaast vindt u achterin dit boekje een vijftalige woordenlijst met de belangrijkste voetbalbegrippen, om misverstanden (en blessures) in het buitenland te voorkomen.
Jaap van der Wijk Amsterdam, 1996
Met
dank aan mijn zoon Frank van der Wijk, de enige in de familie die echt
verstand van voetbal heeft.
A
Aanbieden.
Vrijlopen in de richting van de balbezittende medespeler, om de bal vragen.
Aangeschoten hands. Onopzettelijke handsbal doordat de bal tegen een hand of arm van een speler wordt geschoten. Niet strafbaar.
Aangesneden vrije trap. Vrije trap die op maat naar een medespeler wordt geschoten.
Aangeven. Voorzet geven, de bal naar een medespeler toespelen.
Aangever. Veldspeler die de aanval inzet, een ® pass geeft en aldus een medespeler de gelegenheid biedt om te scoren.
Aanjager. Ook: `dynamo', `diesel' of `motor' van het elftal. Onvermoeibare `libero', die tussen de voor- en de achterhoede pendelt.
Aankleven. Straffe mandekking; een bepaalde speler van de tegenpartij geen moment vrij laten staan of lopen.
Aanmerkingen op de leiding. Zie Appeleren.
Aannemen. 1. Het stoppen en onder controle brengen van ballen (passes) over de grond. 2. Het opvangen, controleren en meenemen van de bal.
Aansluitingstreffer. Doelpunt waardoor de achterstand op een team nog maar één goal bedraagt.
Aanspeelbaar. Je bent aanspeelbaar wanneer je vrijstaat (of vrijloopt) en je aanbiedt, zodat een medespeler jou de bal kan toespelen.
Aanspelen. Passen; de bal toespelen.
Aanstelleritis. Zie Stervende zwaan.
Aantekenen. Een `doelpunt aantekenen' = scoren.
Aanvaller. Speler die als belangrijkste doel heeft het vijandelijke doel aan te vallen en doelpunten te scoren.
Aanvoerder. Hij vertegenwoordigt zijn elftal bij de scheidsrechter, is betrokken bij de toss en wisselt onder meer vaantjes uit met de aanvoerder van de tegenpartij. Om hem van de overige spelers te onderscheiden draagt hij een band rond de rechterbovenarm, die afwijkt van de kleur van het shirt.
Achterbal. 1. Uitbal. De bal is geheel en al over de doellijn gegaan, door de lucht of over de grond (regel 9), na het laatst te zijn aangeraakt door een speler van de aanvallende partij. Na een achterbal wordt het spel hervat met een doelschop (regel 16). 2. De doelschop die na de achterbal (1) wordt genomen.
Achterhoede. De veldspelers die de laatste verdedigingslinie vormen, zich achter de middenlinie bevinden en de aanvallen van de tegenpartij moeten opvangen. Soms wordt de keeper ook wel tot de achterhoede gerekend.
Achterlijn. ® Doellijn.
Achterspeler. Speler die achterin het veld staat opgesteld en een verdedigende functie heeft.
Achterstopper. ® Opruimer.
Achteruitvoetballen. Het steeds maar weer terugleggen van de bal met risicoloze passjes in plaats van diepteballen te wagen of duels aan te gaan. Zie ook Catenaccio en Resultaatvoetbal.
Achterwaarts passen. ® Terugleggen.
Achterzet. Mislukte voorzet die achter het doel verdwijnt.
Achtste finale. De reeks wedstrijden tussen de laatste zestien deelnemers aan een toernooi. De winnaars gaan door naar de ® kwartfinale.
Acteren. Spelen. `Hij acteert in de voorhoede,' `hij acteert onopvallend.'
Afbraakvoetbal. Defensief speltype waarbij de zwakkere partij het de technisch en tactisch sterkere ploeg onmogelijk tracht te maken om te winnen, domweg door alle ballen voor de voeten weg en uit te trappen.
AFC. Asian Football Confederation.
Afdrogen. Een tegenstander ruimschoots verslaan.
Affluiten. Dat doet de scheidsrechter, als laatste fluitsignaal, ten teken dat de wedstrijd is afgelopen.
Afgeven. 1. ® Passen. 2. Geërgerde uitroep naar pingelaars.
Afhouden. Zie Obstructie.
Afmaken. Een tegenstander verslaan.
Afmaker. Topscorer, aanvaller die gemakkelijk doelpunten maakt.
Afstandstreffer. Treffer van ver op het doel.
Afstoppen. Het hinderen van de tegenstander, ervoor zorgen dat hij de bal niet kan opbrengen.
Afstraffen. 1. De tegenstander een zware nederlaag bezorgen. 2. Een actie van de tegenpartij omzetten in een doelpunt voor de eigen partij.
Aftrap. 1. De beginschop van elke speelhelft van een voetbalwedstrijd (spelregel 8), waarbij een van de spelers van de partij die de ® toss heeft gewonnen de bal in voorwaartse beweging brengt. De aftrap vindt plaats vanaf de ® middenstip. 2. Ook: middenbal. De aftrap nadat een goal is gescoord. Zie ook Miduit nemen.
Afvalsysteem. Ook: K.O.-systeem. Systeem waarbij de wedstrijden door loting worden bepaald en in elke ronde de verliezers afvallen. Zie ook Cupvoetbal.
Afvlaggen. Het omhoog steken van de vlag door de grensrechter, waarmee hij aangeeft dat een speler hinderlijk buitenspel staat.
Afzwaaier. Schot dat door afbuiging steeds verder van het doel verwijderd raakt, naarmate het doel wordt genaderd.
Alles voor de pot. Stijl van aanvallen, waarbij een team zijn offensief beperkt tot hoge voorzetten vóór het doel van de tegenpartij. Meestal ten gevolge van tijdnood of onvermogen.
Allroundspeler. Voetballer die op elke positie kan worden ingezet.
Amateur. Voetballer die zich niet beroepshalve met voetballen bezighoudt.
Amortisseren. ® Afstoppen.
Angstgegner (d). Een club die soms wel eens gelijk speelt tegen een normaliter sterkere club - of zelfs daarvan wint - en daarom gevreesd wordt.
Appelleren. Het door woord of handeling tonen het niet eens te zijn met een beslissing - of het achterwege blijven daarvan - van de scheidsrechter. Dient te worden bestraft met een waarschuwing (regel 12).
Appelsienen. `Na de appelsienen' = na de rust.
Applausvervanging. ® Applauswissel.
Applauswissel. Ook: publiekswissel. Het voortijdig wisselen van een speler die zeer goed heeft gespeeld en hard heeft gewerkt, of van een speler die een afscheidswedstrijd speelt. Het publiek wordt aldus in de gelegenheid gesteld speciaal voor deze speler te applaudisseren en hem toe te juichen.
Arbiter. ® Scheidsrechter.
Arbitrale trio. Het trio dat wordt gevormd door de scheidsrechter en beide grensrechters tezamen.
Arena. 1. Stadion. 2. Amsterdam Arena, thuishonk van Ajax. 3. Betaalmiddel waarmee in de Arena (2) dient te worden betaald. Eén Arena is ongeveer ¦ 1,67.
Armoe. Dit wordt gezegd wanneer een speler de bal in paniek buiten de lijnen schiet. `Wat een armoe.'
ASL. American Soccer League.
Ausputzer (d). Ook: `laatste man' of `vrije verdediger'. De ausputzer is de opruimer, de achterste (extra) verdediger, de laatste man die permanente rugdekking geeft aan de lijn van verdedigers voor hem. Hij doet niet aan persoonlijke mandekking en kan zich vrij door de achterhoede bewegen. Hij onderschept dieptepasses en houdt zich bezig met dubbele rugdekking. Zie ook Libero.
Azzurri (i). ® Squadra azzurra.
B
Back (e). Elk der twee achterspelers van het ® stopperspilsysteem op de verdedigingsflanken. We onderscheiden een linksback en een rechtsback. In het ® WM-systeem was het de taak van de beide backs om de buitenspelers van de tegenpartij af te dekken.
Baklijn. Ook: zestienmeterlijn. ® Strafschopgebied.
Bal. Bolvormig voorwerp met een omtrek tussen 68 en 71 cm, een gewicht tussen 396 en 453 gram en een atmosferische druk op zeepeil waarvan de buitenbekleding van leer of ander goedgekeurd materiaal is. De omtrek van de bal is vooral van belang van het bepaalde in de spelregels 8, 13, 14 en 17 (aftrap, vrije schop, strafschop en hoekschop), waarin staat dat de bal geacht wordt in het spel te zijn wanneer hij zich heeft verplaatst over een afstand gelijk aan zijn omtrek.
Balbehandeling. ® Balbeheersing.
Balbeheersing. Ook: balbehandeling; balcontrole. Technische vaardigheid om met de bal om te gaan.
Balbezit. `Op balbezit spelen' is zodanig spelen dat de bal in het eigen team blijft; weinig risico nemen.
Balcontrole. ® Balbeheersing.
Ballentegenhouder. Slechte doelverdediger. Meestal een veldspeler die plotseling voor de keeper invalt en dus de specifieke keeperstechniek niet goed beheerst.
Balletje breed. Ook: balletje opzij. Korte ® pass opzij naar een meelopende medespeler.
Balletje buitenkant. Ook: buitenkantje. Wreeftrap met de buitenkant van de voet, waarbij de bal wordt aangesneden.
Balverliefd. Dit wordt gezegd van veldpelers die maar geen afstand van de bal kunnen nemen, niet genoeg overspelen.
Balverlies. Hiervan is sprake wanneer men de bal aan de tegenpartij is kwijtgeraakt.
Bananashot (e). Ook: banaanschot. Een schot op doel in horizontale boogrichting. Een verraderlijke curve om het ® muurtje heen, vol ® effect en ® topspin. De bananashot wordt genomen met de binnen? of buitenkant van de wreef, doorgaans door penaltyspecialisten met veel traptechniek. Zie ook Boogbal. Bekende `bananashotters' waren Piet Keizer en Willem van Hanegem.
Bankzitter. (1) Reservespeler, wisselspeler. (2) Denigrerende benaming van speler die niet in de basisopstelling staat en buiten de ploeg is gelaten.
Basis. Ook: basiself. De opstelling waarmee een elftal zijn wedstrijden begint.
Basiself. ® Basis.
Basisspeler. Speler die in de ® basis staat en geen reserve is.
Beer van de Meer. Bijnaam van ex-doelman Piet Schrijvers (Ajax).
Beertje. Bijnaam van Reinier Kreijermaat (Feyenoord).
Beest. Bijnaam van Ruud Gullit (Chelsea).
Behoudend voetbal. ® Catenaccio. Zie ook Continentale stijl en Engels voetbal.
Beker met de grote oren. ® Europa Cup I.
Bekervoetbal. ® Cupvoetbal.
Benefiet. Vriendschappelijke wedstrijd voor een goed doel. Dat `goede doel' kan ook een afscheidnemende speler zijn, die dan na afloop de opbrengst van de wedstrijd krijgt.
Benentikken. Ook: poorten. De bal tussen de benen van de tegenstander doorspelen en hem al dan niet met behulp van een schijnbeweging passeren. Zie ook Bruggetje.
Betonvoetbal. Zeer defensieve speelwijze, met een versterkte verdediging en straffe mandekking.
Bevriezen. Behoudend voetbal waarbij geen echte doelpogingen worden gewaagd. Balbezit, dat is alles wat telt.
Bewaken. ® Mandekken.
Bezorgen. De bal overspelen naar een medespeler. Zie ook Inleveren.
Bikkelaar. ® Breker.
Bikkelen. Hard voetballen, hard tackelen.
Binden. Het tot dekking dwingen van een tegenstander, bijvoorbeeld doordat een vleugelspeler zich niet laat terugvallen, maar consequent op zijn vleugel blijft opereren. De verdediger van de tegenstander kan dan slechts met risico opkomen.
Binnendraaier. ® Inswinger.
Binnenkantje. Het spelen van de bal met de binnenkant van de voet. Zie ook Balletje buitenkant.
Binnenspeler. Elk der twee spelverdelers in het ® stopperspilsysteem. De links- en rechtsbinnen opereerden overwegend offensief en tezamen met de beide ® kanthalfs vormden ze het zogenaamde ® magisch vierkant.
Binnentrio. Zo noemde men in het ® stopperspilsysteem het trio bestaande uit de beide binnenspelers (links? en rechtsbinnen) en de midvoor. Rijvers, Abe Lenstra en Faas Wilkes werden het `gouden binnentrio' genoemd.
Blauwe blazer. ® Bobo.
Blessuretijd. De tijd die verloren is gegaan door het wisselen van spelers, het afvoeren van gewonde spelers, tijdrekken of door een andere oorzaak. Moet aansluitend op elke speelhelft van 45 minuten worden ingehaald. De scheidsrechter beslist hoeveel tijd dat zal zijn (regel 7). Zie Tijdrekken.
Blind paard. Een speler die voetbalt als een kip zonder kop en maar blijft doordraven. Hij schijnt zich niet door enig spelinzicht te laten hinderen.
Bloed aan de paal. Uitdrukking die voorspelt dat blessures bij de tegenpartij niet zullen worden geschuwd om de wedstrijd te winnen. Ook: `Bloed aan de paal en de darmen in het net.'
Bloedeloze score. ® Naadloze score.
Blokkeren. 1. Het hinderen van een tegenstander waarbij er sprake is van opzettelijk lichamelijk contact. Zie Obstructie. 2. De voet voor de bal plaatsen op het moment dat de balbezittende aanvaller uithaalt voor een schot, pass of voorzet.
Bloktackle. Basistackle. Hierbij wordt de bal met de binnenkant van de voet vastgezet tegen het been van de tegenstander. Door druk op de bal uit te oefenen wordt deze aan de tegenstander ontfutseld. Zie ook Tackle.
Der Blonde Engel (d). Bijnaam van Bernd Schuster.
Blonde Stier. Bijnaam van doelman Peter Schmeichel (Manchester United).
Blower-on-sight (e). Scheidsrechter die rustig afwacht of een veldspeler de bedoeling heeft om voordeel te behalen uit een buitenspelsituatie, en pas voor buitenspel fluit wanneer dit daadwerkelijk het geval is. Zie ook Quick whistler.
Bobo. Afkorting van `bondsbonze', waarmee oorspronkelijk elk der topfunctionarissen van de ® KNVB werd bedoeld, maar later elke topfunctionaris. De term werd gepopulariseerd door Ruud Gullit, tijdens het EK'88. Ook: Blauwe blazer.
BOC. Belgisch Olympisch Comité, opgericht in 1906.
Boeking. Officiële waarschuwing wegens spelovertreding, uitgedeeld door de scheidsrechter. Drie boekingen in het boekje van de scheidsrechter leveren een schorsing op.
Boeren. 1. Supporters van voetbalclubs uit de provincie. 2. Uit de provincie afkomstige supporters van voetbalclubs uit de grote steden. 3. Supporters van Feyenoord, zo genoemd door Ajax-supporters.
Boerenkoolvoetbal. Slecht voetbal, met lange, wilde trappen, zonder enig spelinzicht.
Bolle van Zwolle. Bijnaam van ex-doelman Piet Schrijvers.
Bombardement. Zie Bombarderen.
Bombarderen. Het bestoken van het doel met hoge ballen.
Bombardier. Topscorer.
Bondscoach. Trainer van een nationaal elftal.
Bondstrainer. ® Bondscoach.
Boogbal. Een schot op het doel in verticale richting, waarbij het de bedoeling is de bal over de uitlopende keeper heen te lepelen. Zie ook Bananashot en Effectbal.
Bosman-arrest. Uitspraak van het Europese Hof van Justitie waarin het transfersysteem werd verboden en zodoende een einde werd gemaakt aan de belachelijk hoge afkoopsommen bij ® transfers in het betaald voetbal. Genoemd naar Jean-Marc Bosman, die vijf jaar heeft geprocedeerd om het arrest te bewerkstelligen.
Bovenlat. Ook: deklat. Vaste doellat, die op beide doelpalen ligt en het doel aldus van boven afdekt. De pupillen en junioren speelden vroeger met een losse lat, die aan de bovenlat werd gehangen, om het doel te verkleinen.
Branding. ® Kluts.
Breedhouden. Het scherp opstellen van de buitenspelers aan de zijlijn, om te voorkomen dat het centrum van het veld overbezet raakt. Door het spel voldoende breed te houden zijn de buitenspelers goed aanspeelbaar en kunnen zij de bal vanaf de vleugels voor het doel brengen.
Breedtepass. Ook: laterale pass. ® Pass over de breedte van het veld, opzij naar een medespeler en niet in voorwaartse richting. Zie ook Lengtepass.
Breien. Ook: pattern-weaving (e). Voetballen over te veel schijven, met veel te ver en te lang doorgevoerde combinaties, die niet tot resultaten leiden.
Breker. Ook: `bikkelaar' of `sloper'. Een speler die met harde tackels en ware doodsverachting de tegenpartij op het middenveld afstopt. Johan Neeskens was zo'n typische breker.
Brilstand. Ook: `bril', `brilscore' of `dubbelblanke stand'. Een doelpuntloos gelijkspel, 0-0 dus.
Broodvoetballer. Beroepsvoetballer, voetbalprof.
Brosseren. `Een bal brosseren' = een bal een zwieper geven. Zie ook Bananashot.
Bruggetje. `Een bruggetje maken' = de bal tussen de benen van een tegenstander doorspelen. Zie ook Benentikken.
Bruine monster. De voetbal.
BSBV. Belangenvereniging Scheidsrechters Betaald Voetbal.
Buffelen. Puur op kracht voetballen; gewoon de kortste weg naar het doel van de tegenstander nemen.
Buitenkantje. ® Balletje buitenkant.
Buitenspel. Ook: offside (e). Hiervan is sprake wanneer een speler zich met minder dan twee tegenstanders op de speelhelft van de tegenpartij bevindt, op het ogenblik dat de bal wordt gespeeld door een medespeler, terwijl hij zich dichter bij de doellijn van de tegenpartij bevindt dan de achterste tegenspeler op dat moment (m.u.v. de keeper), en zich in de richting van de doellijn beweegt met de bedoeling daaruit voordeel te trekken. Dit geldt niet wanneer er sprake is van een doelschop, hoekschop, inworp of scheidsrechterbal. De aanvaller die zich op het moment dat de bal wordt aangespeeld op gelijke hoogte met de laatste verdediger van de tegenpartij bevindt, staat eveneens buitenspel. Buitenspel wordt bestraft met een indirecte vrije schop voor de tegenpartij.
Buitenspelgoal. Doelpunt dat gescoord is uit een strafbare buitenspelpositie en door de scheidsrechter wordt afgekeurd.
Buitenspeler. Elk der twee vleugelspelers in het ® stopperspilsysteem (rechts- en linksbuiten). Zie ook: Binnenspeler en Kanthalf.
Buitenspellijn. Een denkbeeldige, heen en weer verschuivende lijn dwars over het veld, die offside (afseit) van onside scheidt.
Buitenspelval. Ook: systematisch buitenspel. Het opzettelijk buitenspel zetten van een tegenstander, om vijandelijke aanvallen af te breken en weer in balbezit te komen. Deze tactiek is geoorloofd.
Buitenspits. Vleugelspits in het 4-3-3 systeem en vergelijkbare systemen, dit in tegenstelling tot ® centrumspits.
Bundesliga (d). De Duitse eredivisie.
Business seat (e). Dure, vaste zitplaats in een ® sky-box.
Butterfingered (e). Dit zegt men in Engeland van een doelverdediger die niet ® klemvast is.
BVO. Betaald-voetbalorganisatie.
C
CAF. Confédération Africaine de Football.
Cap (e). Verouderde benaming voor het aantal interlands dat men heeft gespeeld.
Captain (e). ® Aanvoerder.
Casual (e). ® Hooligan in dure merkkleding. De casual drinkt frisdrank, want hij wil zijn kop erbij houden om zich zo nuchter mogelijk met voetbalvandalisme te kunnen bezighouden. Zie ook Lager lout.
Catacomben. De ruimten onder de tribunes van een stadion.
Catenaccio (i). Italiaanse versie van het ® grendelsysteem. Defensief, behoudend voetbalsysteem waarin permanent met een ® ausputzer of ® libero wordt gespeeld. De belangrijkste varianten zijn 1-3-3-3 en 1-3-4-2, afgeleid van 4-3-3 en 4-4-2. Catenaccio kenmerkt zich door een straffe mandekking, het zogenaamde `aankleven'. Bij balverlies gaat de hele ploeg richting eigen strafschopgebied, waar een muur van spelers wordt opgebouwd. Het catenaccio-voetbal leidde ertoe dat vele wedstrijden in de Italiaanse competitie op 0-0 of 1-0 eindigden.
CBV. Coaches Betaald Voetbal. Belangenvereniging, opgericht in 1990. Was tot 14-02-1996 onderdeel van de ® VVON.
Centrale verdediger. Ook: centre-back. Elk der twee spelers in het centrum van de achterhoede van het ® 4-2-4 systeem.
Centrale-verdedigingsduo. De twee ® centrale verdedigers.
Centre-back (e). ® Centrale verdediger.
Centrumspits. 1. Middelste spits, aanvaller in het ® 4-3-3 systeem. 2. Voorste spits wanneer er ook een schaduwspits is, zoals in het ® 4-2-4 systeem.
Champions League (e). Sinds 1992 de benaming van de competitie tussen de laatst overgebleven acht clubs in het ® Europa Cup I-toernooi. De clubs spelen in twee poules van elk vier clubs. De winnaars van elke poule komen tegen elkaar uit in de finale.
CIOS. Centrale Instituten voor de Opleiding van Sportleid(st)ers.
Circulatievoetbal. De bal in de eigen ploeg houden, voornamelijk om een voorsprong te behouden of de tegenstander uit de tent te lokken.
Clubcard. Zie Cotass clubcard.
Coach (e). Trainer.
Combinatie. Samenspel tussen meerdere teamgenoten; het overspelen van de bal zonder balverlies.
Compenseren. Het goedmaken van een eerdere onterechte of twijfelachtige beslissing door in een volgende situatie een besluit ten gunste van het `slachtoffer' te nemen, die men mogelijk normaal gesproken niet had genomen. Scheidsrechters compenseren vaak onder druk van het publiek.
CONCACAF. Confederación Norte-Centroamericana y del Caribe del Fútbol.
Conditionele toestand. Conditie. (Waarom gemakkelijk doen als het ook moeilijk kan?)
CONMEBOL. Confederación Sudamericana del Fútbol.
Continentale stijl. Voetbal met plotselinge tempowisseling en vertraging op het middenveld, waar de bal zonder passeerdribbels wordt rondgespeeld. Kenmerkt zich door snelheid in de aanval. Zie ook Engels voetbal en Kick and Rush.
Corner (e). 1. ® Hoekschop. 2. Hoekschopgebied.
Cornerbal. Een bal die geheel en al over de doellijn is gegaan na het laatst te zijn aangeraakt door een speler van de verdedigende partij (regels 9 en 11 ).
Cornerkick (e). ® Hoekschop.
Cornerpaal. Stok van de ® hoekvlag.
Cornerverhouding. Verhouding van de door beide partijen tijdens een wedstrijd genomen hoekschoppen. Wordt gebruikt als een indicatie van welke partij het meest heeft aangevallen.
Correcte schouderduw. Toegestaan wanneer de bal zich binnen het speelbereik van de betrokken spelers bevindt en zij daadwerkelijk pogen de bal te spelen. Is dit niet het geval, dan is er sprake van een overtreding die met een indirecte vrije schop dient te worden bestraft.
Cotass clubcard (e). Kaart die op vertoon van een legitimatiebewijs kan worden aangeschaft en waarmee kaartjes voor wedstrijden uit de eredivisie kunnen worden gekocht. De clubcard is ingevoerd om de zwarte handel in voetbalkaarten en het vandalisme te bestrijden. (De clubcardhouders staan geregistreerd.)
Counter (e). Snelle, plotselinge tegenaanval vanuit de eigen verdediging, meestal nadat de uitbrekende ploeg enige tijd onder druk is gezet.
Countervoetbal. Stijl waarbij snel uit de verdediging wordt opgekomen.
Counteren. Tot de tegenaanval overgaan.
Coupe du Monde de la FIFA. De officiële Franse benaming van het WK.
COVS. Centrale Organisatie van Voetbalscheidsrechters.
Crosspass (e). Lange pass schuin voorwaarts.
CSC. Centrale Scheidsrechterscommissie.
CSR. Centrale Spelersraad.
Cup (e). Beker.
Cup final (e). Bekerfinale.
Cup met de grote oren. ® Europa Cup I. De term is gepopulariseerd door Leo Beenhakker.
Cupvoetbal. Ook: bekervoetbal. Hierbij kan niet worden volstaan met een gelijkspel, want alleen de winnaar gaat door naar de volgende ronde. Kenmerkend zijn de strijd om de bal, de uiterste inzet van de spelers, en het ® afvalsysteem.
Cycloon. Bijnaam van Ruud Gullit (Chelsea).
D
Daisy cutter (e). ® Schuiver.
Defensie. Verdediging.
Degraderen. Naar een lagere klasse overgaan of uit een rangschikking verdwijnen. Zie ook Promoveren.
Dekken. ® Mandekken.
Deklat. ® Bovenlat.
Delaunay-trofee. De beker van het ® EK.
Dennis the Menace (e). Bijnaam van Dennis Bergkamp (Arsenal).
Derby. Belangrijke wedstrijd tussen twee rivaliserende ploegen uit dezelfde stad of streek, bijvoorbeeld Feyenoord-Sparta, Celtic-Glasgow Rangers, AC Milan-Internazionale, of Manchester United-Manchester City, of tussen aangrenzende landen, bijvoorbeeld Nederland-België.
DFB. Deutscher Fussball-Bund.
Diagonaal systeem. Verplicht systeem van arbitrage. De `diagonaal' houdt in dat de scheidsrechter zich dwars over het veld beweegt (van hoekvlag tot hoekvlag), terwijl beide grensrechters kruiselings met die diagonaal (over de lengte?as van het veld) elk langs een halve zijlijn en schuin tegenover elkaar lopen.
Diepgaan. Hiervan is sprake wanneer een aanvaller in de ® diepte beweegt om ® dieptepasses te kunnen ontvangen.
Diepte. 1. Lengterichting van het veld. 2. De plaats waar de vijandelijke verdediging zich bevindt.
Dieptepass. Ook: `doorloopbal' of `penetration pass'. Verrassende lengtepass die langs één of meer tegenstanders gespeeld wordt, naar een vrije ruimte die zich voor de aangespeelde medespeler bevindt. Een dieptepass leidt vaak tot een sprintduel.
Diesel. De motor van het elftal; een veldspeler die door zijn enorme loopvermogen zijn medespelers stimuleert.
Directe vrije schop. Vrije trap die wordt toegekend voor ® grove overtredingen en van waaruit rechtstreeks tegen de overtredende partij kan worden gescoord (regel 13). Directe vrije schoppen kunnen worden genomen: a. door de verdedigende partij vanuit het strafschopgebied; b: door beide partijen buiten het strafschopgebied.
Divisie. Klasse.
Dode bal. Bal die niet in het spel is, bijvoorbeeld na het passeren van de zijlijn of wanneer de scheidsrechter het spel heeft stilgelegd.
Doel. Ook: goal (e). Het doel bestaat uit twee loodrechte palen, 7.32 meter van elkaar en verbonden door een horizontale dwarslat op 2.44 meter van de grond. Achter het doel is een net bevestigd (regel 1).
Doelgebied. De ruimte binnen het gebied dat wordt beperkt door de ® doellijn, met loodrecht daarop twee lijnen, getrokken op een afstand van 5.50 meter van elke doelpaal en met een lengte van 5.50 meter, alsmede een lijn, evenwijdig aan de doellijn, die de uiteinden van de twee loodrechte lijnen met elkaar verbindt. Het doelgebied heeft een beschermende functie voor de keeper. Hij mag in zijn doelgebied niet worden aangevallen als hij de bal niet in zijn bezit heeft (regel 12).
Doelgemiddelde. De verhouding van de door een bepaalde club gedurende de competitie gescoorde en doorgelaten doelpunten. Het begrip `doelgemiddelde' wordt vaak verward met ® doelsaldo. Het aantal goals vóór wordt gedeeld door het aantal goals tegen. Bedraagt één der getallen 0 dan moet zowel het aantal goals vóór als het aantal goals tegen met 1 worden vermeerderd: 3-0 wordt dus 4-1 = 4.
Doellijn. 1. Elk der twee lijnen die de korte zijden van een voetbalveld afbakenen. Ze mogen niet meer dan 90 meter en niet minder dan 45 meter bedragen (internationale wedstrijden: 75/64 meter) (regel 1). 2. Het gedeelte tussen de doelpalen, d.w.z. de onderkant van het zogenaamde doelvlak dat voor de rest wordt gemarkeerd door de doellat en de doelpalen. De gedeelten links en rechts van het doel worden dan `achterlijn' genoemd. Passeert de bal de doellijn op die plaats, dan is het geen doelpunt, maar wordt er een ® doelschop of een ® hoekschop toegekend.
Doelman. ® Doelverdediger.
Doelpunt. Hiervan is sprake zodra de bal geheel en al de doellijn tussen de doelpalen en onder de doellat heeft gepasseerd, mits hij niet door een speler van de aanvallende partij is geworpen, gedragen of opzettelijk met de hand of arm is voortbewogen (regel 10). Doelpunten kunnen niet rechtstreeks uit een ® indirecte vrije schop, een ® inworp of ® doelschop worden gescoord. Het opzettelijk en op onreglementaire wijze voorkomen van een doelpunt moet krachtens de bepalingen van de ® FIFA worden bestraft met een ® rode kaart.
Doelsaldo. Het verschil tussen het aantal gescoorde en het aantal geïncasseerde doelpunten. Wanneer twee teams een gelijk doelsaldo hebben, tellen de doelpunten die in uitwedstrijden zijn gescoord dubbel.
Doelschop. Ook: doeltrap. Een soort vrije trap, net als de ® hoekschop, maar in tegenstelling tot de hoekschop is de doeltrap ® indirecte vrije schop, d.w.z. er kan niet uit gescoord worden. Wordt toegekend wanneer de bal geheel en al over de achterlijn is gegaan, terwijl hij het laatste is aangeraakt door een speler van de aanvallende partij. Een speler van de verdedigende partij brengt de bal rechtstreeks buiten het strafschopgebied in het spel met een trap vanaf een punt, gelegen binnen die helft van het doelgebied die het dichtst ligt bij de plaats waar de bal over de lijn ging (regel 16).
Doeltjeskermis. Hiervan is sprake wanneer het doelpunten `regent'.
Doeltrap. ® Doelschop.
Doeltrappen. Hierbij vuren de veldspelers vóór de wedstrijd even een paar schoten op de keeper af, om diens spieren een beetje los te maken. Doelverdediger. Ook: `doelman', `goalie' of `keeper'. Hij staat als enige van het elftal in het doel en mag als enige de bal in zijn eigen ® strafschopgebied met de hand spelen. Hij moet kleding dragen die hem onderscheidt van de andere spelers en de scheidsrechter (regel 4).
Doelvlak. 1. Het vlak dat wordt begrensd door de achterkant van de doelpalen, de doellat en de grond. 2. Het vlak tussen de dwarsliggers en de staanders.
Dolle Hond. Bijnaam van Christian Karembeu (Sampdoria).
Dollen. Ook: `jokeren' of `piepelen'. De tegenstander voor gek zetten.
Donkey kick (e). ® Ezeltjestrap.
Doodfluiten. Herhaaldelijk fluiten voor kleine en/of twijfelachtige overtredingen, waardoor het spel telkens wordt onderbroken, dit tot ongenoegen van de spelers en het publiek.
Doodleggen. ® Doodmaken.
Doodmaken. Ook: doodleggen. Het stoppen van de bal, met name door de bal tussen voet en veld af te klemmen.
Doodschop. Een opzettelijke trap, die niet tot doel heeft de bal te spelen, maar de tegenstander uit te schakelen door hem te blesseren. Zeer zware overtreding, die onmiddellijk met een rode kaart dient te worden bestraft.
Doodschop om een hoekie. Plat Nederlands voor een harde en hoge ® corner, genomen als voorzet tot voor het doel.
Doorloopbal. ® Dieptepass.
Doortrappen. Hiervan is sprake wanneer twee spelers naar de bal trappen en een van hen de voet niet inhoudt, maar volledig uit- en doorhaalt. Levert blessuregevaar op.
Doping (e). Het gebruik van stimulerende middelen met de bedoeling de sportprestaties gunstig te beïnvloeden. Is verboden vanwege de concurrentievervalsing en de mogelijk schadelijke gevolgen voor de sporter.
Double (e). Ook: dubbel. Men spreekt van een `double' wanneer een club in een en hetzelfde seizoen landskampioen wordt en de nationale bekercompetitie wint.
Double scissors kick (e). ® Dubbele schaartrap.
Dreun. Zeer hard schot.
Dribbelen. De bal telkens kort aantikken, zodat hij voldoende binnen speelbereik blijft; `bal aan de voet'. De tegenstanders kunnen daarbij op talloze manieren worden omspeeld, onder meer door schijnbewegingen, waardoor zij de verkeerde kant worden opgestuurd of op het verkeerde been worden gezet. De dribbelaar kijkt doorgaans meer naar de bewegingen van de tegenstander dan naar de bal, terwijl de tegenstander meer op de bal let dan op de dribbelaar. Zie ook Drijven.
Driehoekje. Ook: triangulation (e). ® Combinatie tussen drie spelers, waarbij de bal beurtelings diagonaal en breed wordt gespeeld.
Drietje. Pupillenbal.
Drijven. ® Dribbelen zonder tegenstanders te passeren.
Dropkick (e). Halfvolley; trap tegen een stuiterbal op het moment dat deze de grond raakt, dus niet `echt' in de lucht, zoals bij volley.
Dropshot (e). ® Boogbal.
Drukken. Het zodanig schieten van een bal uit de lucht op het doel, dat de wreef zo steil mogelijk, dus zoveel mogelijk onder een hoek van negentig graden, tegen de bal wordt aangezet, om te voorkomen dat hij de lucht ingaat.
DSC. Districtsscheidsrechterscommissie.
Dubbel. Het in hetzelfde seizoen winnen van de nationale beker en het landskampioenschap.
Dubbelblanke stand. ® Brilstand.
Dubbele schaar. 1. Het snel met het linker? en rechterbeen over de bal heenstappen en de bal vervolgens met de buitenkant van de linkervoet meenemen. Zie ook Schaarbeweging.
Dubbele schaartrap. Ook: double scissors kick. Hiervan is sprake wanneer twee spelers naar de bal klimmen en een ® vliegende schaar uitvoeren.
Dubbelpass. ® Eén-tweetje.
Dug?out (e). Al dan niet overdekte zitplaats voor coach, reservespelers en verzorger. Komt voort uit de honkbalsport.
Duiken. Ook: robinsonade. 1. Languit, met een sprong naar de hoek van het doel, proberen de bal te keren, door de lucht of over de grond. 2. Voorwaarts duiken op de schoen van een aanstormende spits.
Duur van de wedstrijd. Deze bedraagt 90 minuten, verdeeld in twee perioden van elk 45 minuten. De speeltijd begint zodra de bal over een afstand van ongeveer 70 cm is verplaatst en kan eventueel worden verlengd.
Dwarrelbal. Schot of pass door de lucht, vol effect.
E
Eenbenig. Voetballer die alleen maar goed met het rechter? of linkerbeen kan trappen. Zie ook Tweebenig.
Eén tegen één spelen. Systeem waarbij de achterhoede op één lijn speelt, zonder rugdekking, en elke aanvaller door een verdediger wordt afgeschermd. Dient voornamelijk om de tegenpartij ® buitenspel te kunnen zetten.
Een?tweetje. Ook: `dubbelpass' of `wallpass'. Twee passes tussen dezelfde spelers. Bal afgeven en jezelf meteen weer aanbieden. De ene voetballer speelt de bal al rennend naar de andere, loopt door en ontvangt de bal weer van de andere speler. De Engelsen noemen dit ook wallpass, omdat de `stilstaande' medespeler, die de tweede pass teruggeeft, als het ware optreedt als de `muur' waartegen de bal wordt teruggekaatst.
Eerst de man dan de bal. Eerst de man van de bal zetten en dan pas de bal op de tegenstander veroveren. Gebeurt doorgaans door vasthouden, duwen of blokkeren, maar ook wel door de tegenstander grof onderuit te halen.
Eerste. A-team van een voetbalclub. `Hij voetbalt in het eerste.'
Eerste paal. De doelpaal die zich bij hoekschoppen het dichtst bij de hoekschopnemer bevindt.
Eeuwige reserve. ® Bankzitter (2).
Effect. Verrassend kerende of tollende beweging van de bal. Kan per abuis of met voorbedachten rade aan de bal worden meegegeven.
Effectbal. Hiervan is sprake wanneer de bal zo wordt geraakt dat hij afwijkt van de baan die in het verlengde ligt van de kracht die erop wordt uitgeoefend.
Eiffeltoren. Een van de bijnamen van de legendarische Russische keeper Lev Yashin. Hij werd ook `Leeuw van Moskou', `Zwarte Octopus' en `Zwarte Spin' genoemd.
Eigen goal. Ook `eigen inzet'. Bal die per ongeluk in het eigen doel wordt geschoten of gekopt. Telt als doelpunt van de tegenstander.
El Tel. Bijnaam van Terry Venables (bondscoach Engeland).
Elfmeterstip. ® Stip.
Elfmetertrap. ® Strafschop.
EK. Europees Kampioenschap voor landenteams. Zie ook Delaunay-trofee en Nations Cup.
Elftal. Voetbalploeg, bestaande uit één doelman plus tien veldspelers.
Engelse week. Week waarin een voetbalclub drie competitie- en/of bekerwedstrijden speelt.
Engels voetbal. Spectaculaire manier van voetballen, met veel lange ballen, hoog voor de pot, zonder verfijnd dribbelwerk.
Engeltje op de lat. Deze uitdrukking wordt gebezigd wanneer men vindt dat de keeper veel geluk heeft. `Er zit een engeltje op de lat.'
Europa Cup I. Sinds 1992 Champions League. De Europa Cup voor landskampioenen.
Europa Cup II. De Europa Cup voor nationale-bekerwinnaars.
Europa Cup III. De vroegere ® UEFA Cup. Toernooi waaraan de Europese clubs mogen deelnemen die net geen landskampioen zijn geworden en evenmin de nationale beker hebben veroverd.
Europese voetbalbond. ® UEFA.
Ezeltjestrap. Soort ® wippertje (2) waarbij de bal tussen de voeten wordt geklemd en achteruit in de hoogte wordt gewipt, zodat een medespeler hem in het doel kan volleyen.
F
FA. Football Association. De Engelse voetbalbond.
Fair play (e). Sportief, eerlijk spel. Zie ook Foul play.
Fairplaylijst. Lijst van landen, opgesteld door de ® UEFA, aan de hand van onder meer het gedrag van spelers, coaches en toeschouwers. De top drie heeft het recht een extra club in te schrijven voor het UEFA-bekertoernooi.
Fast break (e). Razendsnelle uitval vanuit de verdediging, waardoor de aanvallende partij geen tijd heeft de eigen verdediging te organiseren.
FBO. Federatie van Betaald Voetbalorganisaties. Bij deze bond zijn de clubs uit het betaalde voetbal aangesloten.
FC. Football Club.
FFF. Fédération Française de Football. De Franse voetbalbond.
FIFA. Fédération Internationale de Football Associations. De wereldvoetbalbond, opgericht in Parijs, in 1904.
FIFPRO. Mondiale vakorganisatie van profvoetballers.
Fifty-fifty ball (e). ® Ziekenhuisbal.
Figlio d'Arte (i). Bijnaam van Paulo Maldini (AC Milan).
Finale. De afsluitende wedstrijd tussen de laatste twee deelnemers aan een toernooi. Zie ook Halve finale.
F-jes. De jongste voetbaljeugd, in de leeftijdscategorie tot acht jaar.
Flaghappy (e). Zo worden grensrechters genoemd die te snel en te vaak afvlaggen.
Flipperkastvoetbal. Ook: pleintjesvoetbal. Voetbal waarbij het moeilijk is enig systeem te ontdekken.
Fluiten in de geest van de wedstrijd. Zodanig fluiten door de scheidsrechter dat de wedstrijd niet voor elke overtreding wordt stilgelegd en het wedstrijdverloop niet nadelig wordt beïnvloed.
Fluitist. Enigszins denigrerende benaming voor de scheidsrechter.
Fluwelen voet. `Hij heeft een fluwelen voet' = hij kan de bal goed raken.
Flying tackle (e). ® Vliegende schaar.
Football League (e). De twee divisies waarin de clubs van het Engelse betaald voetbal spelen.
Fore-checking (e). Het jagen op de tegenstander, terwijl die de bal nog op de eigen speelhelft heeft.
Forward (e). Voorhoedespeler.
Fotografenlijn. Een lijn aan weerszijden van het doel, achter de ® doellijn, die moet lopen door een punt, gelegen op een afstand van 3.50 meter ter hoogte van het snijpunt van doellijn en doelgebied en vervolgens door een punt dat op 6 meter achter de doelpalen ligt. Fotografen moeten bij hun werk achter deze lijn blijven, opdat zij het spelverloop niet hinderen (regel 1).
Foul play (e). Vals spel. Situatie waarbij de sporter de tegenstander op onsportieve manier aanvalt. Zie ook Fair play.
Founder (e). Geldschieter, sponsor.
Founderbox (e). Elk van de boxen in een stadion die zijn gereserveerd voor de ® founders van de club en/of het stadion.
Free-kick (e). Betekent letterlijk `vrije trap', maar hiermee wordt bedoeld een overtreding tegen een speler in de strijd om de bal, die een vrije trap tot gevolg heeft.
Freekick maken. Het onderuithalen, van achteren aanvallen, vasthouden, duwen, obstructie, aanvallen van een speler. Wordt bestraft met een vrije trap.
Friendly (e). Vriendschappelijke wedstrijd.
Frommelgoal. Ook: `geluksdoelpunt', `lucky goal' of `mazzelgoal'. Doelpunt dat tot stand komt vanuit een onoverzichtelijke situatie voor het doel van de tegenpartij, althans niet door mooi en berekend samenspel.
Full-back (e). ® Back.
Fusieclub. Club die is voortgekomen uit het samengaan van meerdere clubs.
G
Gallery play (e). Manier van spelen waarbij het accent op de schoonheid van het spel ligt. Doorgaans bij erewedstrijden, benefietwedstrijden en jubilea. De teams zijn hierbij vaak samengesteld uit de beroemdste spelers.
Gasten. Het bezoekende elftal.
Gatentrekken. Het forceren van openingen in de defensie van de tegenpartij.
Gazza. Bijnaam van Paul Gascoigne (Glasgow Rangers).
Gele kaart. Kaart, geel van kleur, die door de scheidsrechter wordt getoond aan een speler, ten teken dat hij een waarschuwing heeft ontvangen wegens enigerlei vorm van wangedrag. Tweemaal geel is rood. De gele en de ® rode kaart zijn ingevoerd om internationale spraakverwarring te voorkomen en het publiek te laten weten wat er op het speelveld aan de hand is.
Gelekaarteritis. Diagnose die door het publiek wordt gesteld bij een scheidsrechter die veel gele kaarten uitdeelt. Zie ook Grote vergeler.
Gelijkmaker. Doelpunt waardoor de stand in de wedstrijd gelijk wordt, bijvoorbeeld van 3-2 naar 3-3.
Gelijkspel. Hiervan is sprake wanneer in een wedstrijd geen doelpunt is gescoord, of beide partijen een gelijk aantal doelpunten hebben gescoord.
Geluksdoelpunt. ® Frommelgoal.
Generaal. Bijnaam van Rinus Michels (ex-bondscoach Oranje).
Gestaffeld spelen. Op één lijn schuin naar de bal toe spelen, met een in de diepte en de breedte opgestelde verdediging.
Gestrekt been. Been dat wordt uitgestrekt op het moment dat de tegenstander naar de bal trapt. Ernstige overtreding.
Getructe speler. Voetballer die technische hoogstandjes uitvoert.
Gevaarlijk spel. Speelwijze die door de scheidsrechter gevaarlijk wordt geacht, hetzij voor het eigen welzijn, hetzij voor dat van de tegenstander. `Gevaarlijk spel' heeft altijd betrekking op blessuregevaar en wordt bestraft met een ® indirecte vrije schop.
Giraffe. Speler met een `uitschuifbare nek', die heel goed kan koppen. Bekende `giraffes' waren Torres en Jack Charlton.
Goal. 1. ® Doel. 2. ® Doelpunt.
Goalgetter. Iemand die graag en gemakkelijk scoort; topscorer.
Goalie (e). Verouderde benaming voor doelverdediger.
Goaltjesdief. Een speler die veelvuldig scoort, vaak vanuit onoverzichtelijke situaties. Het is net alsof hij erop loert.
Gouden doelpunt. Ook: sudden death. Wanneer een wedstrijd in een gelijkspel is geëindigd, wint het elftal dat in de verlenging het eerst scoort. Wanneer er in de verlenging geen doelpunt valt, worden er penalty's genomen.
Grabbelaar. Slechte doelverdediger.
Grasmat. Ook: groene laken. Voetbalveld.
Grendelsysteem. Verouderd spelsysteem waarbij het doel door ® ruimtedekking in het zestienmetergebied wordt afgegrendeld. Zie ook Catenaccio.
Grensrechter. ® Scheidsrechtersassistent.
Groene laken. ® Grasmat.
Grote vergeler. Scheidsrechter met ® gelekaarteritis.
Grove overtreding. Hiervan is sprake wanneer opzettelijk is gehandeld tegen de geest van het spel, dan wel op zodanige wijze dat daaruit letsel kan voortvloeien voor een tegenstander. Wordt bestraft met een ® directe vrije schop. In regel 12 zijn de overtredingen opgesomd die met een `directe' dienen te worden bestraft: 1. een tegenstander trappen of een poging daartoe; 2. een tegenstander doen vallen of de poging daartoe; 3. springen naar een tegenstander; 4. een tegenstander op ruwe of gevaarlijke wijze aanvallen; 5. een tegenstander van achteren aanvallen; 6. een tegenstander slaan of pogen te slaan, het bespuwen van of het spuwen naar een tegenstander; 7. een tegenstander vasthouden; 8. een tegenstander duwen; 9. bal met hand of arm spelen (`handsbal').
H
Hakbal. Ook: hakje. Bal die met de hak wordt gespeeld.
Hakje. ® Hakbal.
Halfback (e). Ook: half. ® Kanthalf.
Halfvolley. Het aanraken van de bal vlak nadat die van de grond opspringt.
Halve finale. De voorlaatste ronde van een toernooi, waaraan vier elftallen deelnemen. De winnaars van de halve finale komen tegen elkaar uit in de ® finale.
Halve omhaal. Ook: scissors kick. Soort heupdraaischot. Volley genomen bal, vaak als schot op doel, waarbij de schutter met zijn standbeen in de richting van het doel draait, terwijl hij met zijn andere been de halfhoge bal naast zich meehaalt. Zie ook Omhaal.
Hamstring (e). 1. Kniepees. 2. Achillespees.
Hands (e). Hiervan is sprake wanneer de bal opzettelijk met de hand of arm wordt gespeeld. Een doelverdediger kan in zijn eigen strafschopgebied geen hands maken (regel 12). Zie ook Aangeschoten hands.
Handsdoelpunt. Doelpunt dat met de hand of arm wordt gescoord. Mag niet.
Hangen. 1. Teruggetrokken spelen. Zie Hangende spits. 2. `Die hangt' = doelpunt.
Hangende spits. Aanvaller die vanuit een wat teruggetrokken positie op de vleugel opereert, opdat hij bij balbezit van de tegenpartij ook kan meeverdedigen.
Happen. Reageren op de schijnbeweging van een tegenstander.
Harken. De voet op de bal zetten en hem terugrollen.
Harkje. Harkbeweging. Zie Harken.
Hattrick (e). 1. Het maken van drie doelpunten op rij in één wedstrijd door dezelfde speler. 2. Het maken van drie doelpunten op rij in één wedstrijdhelft door dezelfde speler.
Heiligdom. Het doel.
Heizeldrama. Op 29 mei 1985 ontketenden fanatieke supporters van FC Liverpool een rel, tijdens de Europa-Cupfinale tussen Juventus en Liverpool, in het Heizelstadion te Brussel. Bij het Heizeldrama werden 39 mensen gedood, honderden raakten gewond.
Hekkesluiter. Ook: drager van de rode lantaarn. Club die de laatste plaats in een competitiestand inneemt.
Hi?ha?hondelul. Zie Hondelul.
Hillsboroughdrama. In 1989 kwamen in het Hillsborough-stadion van Sheffield 96 mensen door verdrukking om het leven, tijdens de halve finale om de FA Cup, bij de wedstrijd Liverpool - Nottingham. Mede als gevolg daarvan ontbraken tijdens het EK'96 bij alle acht stadions de hekken.
Hoekschop. Ook: `corner' of `cornerbal'. Het in het spel brengen van de bal door middel van een trap vanuit de kwartcirkel op de hoek van het veld. Wanneer de bal geheel en al over de doellijn (achterlijn) is gegaan en het laatst is aangeraakt door een speler van de verdedigende partij, dan moet een speler van de aanvallende partij een hoekschop nemen (regel 17). Uit een hoekschop kan rechtstreeks worden gescoord.
Hoekvlag. Vlag die op elke hoek van het speelveld moet worden geplaatst (regel 1), om te kunnen bepalen of een bal achter dan wel ® uit is gegaan.
Hok. Doel.
Hollander met het Medusahoofd. Bijnaam van Ruud Gullit (Chelsea).
Home referee (e). ® Thuisfluiter.
Hondelul. Scheldwoord voor scheidsrechters. De term is gepopulariseerd door Piet Romeijn (Feyenoord), die scheidsrechter Arie van Gemert een `hondelul' noemde en daarvoor een boete van ¦ 350,- kreeg. Romeijn verweerde zich door te zeggen dat Van Gemert hem verkeerd had verstaan; hij had hem `onbenul' genoemd.
Hooghouden. De bal in de lucht houden, met de voet en/of het hoofd. Vaak onderdeel van de training.
Hooligan (e). Voetbalvandaal; aanhanger van een voetbalclub, die uit is op rellen, niet alleen tijdens, maar ook vóór en na de wedstrijd. Zie ook Casual en Lager lout.
Houtwerk. De doelpalen plus de deklat, zonder het net.
Hulpscheidsrechter. ® Scheidsrechtersassistent.
I
IFFHS. Internationale federatie voor voetbalhistorie en -statistiek, gevestigd te Duitsland.
IJs. `Door het ijs zakken' = falen.
Il Tulipe Nero (i). Ook: Il Tulipano Nero. (De Zwarte Tulp.) Bijnaam van Ruud Gullit (Chelsea).
Indirecte vrije schop. Vrije trap waaruit niet kan worden gescoord, tenzij de bal is aangeraakt of gespeeld door een andere speler dan de vrije schopnemer (regel 13). Een indirecte vrije trap wordt gegeven voor lichte overtredingen, d.w.z. wanneer voorschriften zijn overtreden die betrekking hebben op de techniek van het spel. Indirecte vrije trappen kunnen ook door de aanvallende partij binnen het strafschopgebied van de tegenpartij worden genomen. Daarbij moet de tegenpartij zich op tenminste 9.15 meter van de bal bevinden, althans binnen het speelveld tussen de doelpalen.
Indraaier. ® Inswinger.
Ingooibal. ® Inworp.
Inknikkertje. Ook: intikker. Gemakkelijk te scoren doelpunt.
Inleveren. De bal per ongeluk overspelen naar een tegenstander. Zie ook Bezorgen.
Inmaakpartij. Wedstrijd waarbij de tegenpartij verpletterend wordt verslagen.
Inmaken. Ook: afmaken. De tegenpartij ruimschoots verslaan.
Inschakelen. Dit doen verdedigers zodra zij zich met de eigen aanval gaan bemoeien.
Inschuiven. Dit doet de ® libero wanneer hij mee naar voren gaat, zich voor de eigen verdediging waagt, op het middenveld mee gaat spelen en het spel gaat verdelen. Specialiteit van Ronald Koeman.
Instappen. Een poging doen om de bal te onderscheppen, te tackelen of een tegenstander buitenspel proberen te zetten.
Instructiezone. Zone, niet langer dan de lengte van de ® dug-out, plus 1 meter ter weerszijden van de dug-out. Vóór de dug-out loopt deze zone tot 1 meter vanaf en evenwijdig met de zijlijn. De instructiezone is bedoeld voor de trainer en andere officials, die zich op verantwoorde wijze dienen te gedragen en binnen de grenzen van de instructiezone moeten blijven.
Intrappen. De spelers trappen zich in vóór een wedstrijd, door middel van enkele lichaams- en baloefeningen.
Inswinger (e). Ook: `binnendraaier' of `indraaier'. Een hoekschop kan worden genomen als inswinger of ® outswinger. Beide zijn boogballen tot voor het doel. De inswinger draait in de richting van de doelopening en is bedoeld om rechtstreeks te scoren.
Interceptie. ® Onderscheppen.
Interland. Wedstrijd tussen de nationale teams van twee verschillende landen.
International (e). Speler van het nationale team van een land.
International board (e). Het officiële lichaam dat de spelregels van het voetbal kan wijzigen. In 1882 opgericht te Londen.
Intertoto Cup. Voetbaltoernooi waar in principe de nummers een tot en met vier van elke Europese voetbalcompetitie mogen deelnemen. Doorgaans wordt gespeeld door 32 teams, die in vier groepen van acht deelnemers spelen volgens het afvalsysteem.
Intikker. ® Inknikkertje.
Invaller. Wisselspeler. Zie ook Wissel.
Invallersbankje. Bankje waarop de wisselspelers zitten. Zie ook Bankzitter.
Inworp. Ook: ingooibal. Het ingooien van de bal door de tegenpartij. Met het inwerpen van de bal wordt het spel hervat, nadat de bal over de zijlijn is gegaan (regel 15).
Inzet. Schot of kopbal in de richting van het doel.
IOC. Internationaal Olympisch Comité, opgericht in 1894.
Italiaans
defensie-systeem. Zie Catenaccio.
.
Itchy
cow (e). ® Schijnhakje.
J
Jaarbeursstedenbeker. ® Europa Cup III.
Jagen. Ook: fore-checking. De tegenpartij op de eigen speelhelft aanvallen en onder druk zetten, om zelf weer in balbezit te komen.
Johan Cruijff Schaal. Bekerwedstrijd (voormalige Europese Super Cup) tussen de winnaars van ® Europa Cup I en ® Europacup II (bekerwinnaar en landskampioen). Nederlands initiatief.
Joker. Bijnaam van Paul Gascoigne (Glasgow Rangers).
Jokeren. ® Dollen.
Jules Rimet-beker. Wisselbeker die de sinds 1946 inzet was van de vierjaarlijkse wedstrijd om het wereldkampioenschap voor landenploegen. Tegenwoordig `wereldbeker' genoemd.
K
Kaatsen. ® Terugleggen.
Der Kaiser (d). (De keizer.) Bijnaam van Franz Beckenbauer (coach Bayern München).
Kanjer. Erg hard schot.
Kanon. Speler met een zeer hard en zuiver schot. Bekende `kanonnen' waren Coen Dillen (PSV), Huug de Groot (Sparta) en Gerd Müller.
Kanonnier. Topscorer.
Kanthalf. Ook: half (e) of halfback (e). Elk der beide halfs in de middenlinie van het ® stopperspilsysteem (links? en rechtshalf). Zie ook Binnenspeler en Magisch vierkant.
Kapbal. Bal die gekapt wordt. Zie Kappen.
Kappen. Ook: kappen en draaien. De tegenstander op het verkeerde been zetten door op de volle snelheid van een dribbel de bal plotseling tot stilstand te brengen en een andere, tegenovergestelde richting in te slaan. Deze handeling wordt vaak diverse malen herhaald, naar links en naar rechts.
Kast. ® Doel.
Kasteel. Het stadion van Sparta in Rotterdam.
KBVB. Koninklijke Belgische Voetbal Bond.
Keepen. Doelverdedigen en het `spelen' van de bal nadat deze bij de doelverdediger is beland.
Keeper. Ook: `doelman', `doelverdediger' of `goalie'. Oorspronkelijk een afkorting van `goalkeeper', en daarom wordt het woord in Engeland altijd met een komma vooraf geschreven: 'keeper.
Keeperbal. Ook: `laat!' of `los!' Dit roept de doelverdediger tegen zijn achterspelers, ten teken dat ze de bal moeten laten gaan omdat hij hem kan pakken.
Keeperstechniek. Methoden die betrekking hebben op balcontrole, afweer en het `spelen' van de bal naar een medespeler.
Kegel. Harde, verre trap.
Keilaarzen. Rotterdamse benaming voor voetbalschoenen.
Keu. Bijnaam van Eddy Achterberg (FC Twente).
Kick and rush (e). 1. Engels voetbal, waarbij het middenveld wordt overgeslagen en de bal gaat ineens `hoog voor de pot' naar de kopbalspecialisten gaat. Deze aanvalsstijl stamt uit de jaren vijftig. 2. Voetbal zonder overleg of duidelijk systeem; spelen als een kip zonder kop.
Kick-off (e). ® Aftrap.
Kicksen. Ook: kiksen. Amsterdamse benaming voor voetbalschoenen.
Kiezelhard. Keihard. `Een kiezelhard schot.'
Klaarzetten. Een speler in een scoringspositie manoeuvreren.
Klassebak. Ook: klasbak. Zeer begaafde voetballer.
Klassebehoud. Het voorkomen van degradatie. `Deze zege betekende klassebehoud.'
Kleinhouden. `We houden het veld klein' = de achterhoede goed naar voren toe laten aansluiten, zowel bij eigen als vijandelijk balbezit, waardoor de spitsen sneller worden bereikt. Zodoende kan sneller worden uitgebroken en de buitenspelval gemakkelijker worden opengezet.
Klemvast. Dit zegt men van een doelverdediger die goed kan vangen en de bal niet laat schieten. `Hij is klemvast.'
Klever. ® Kuitenbijter.
Klimmen. Heel hoog springen, meestal om te ® koppen.
Klinsi. Bijnaam van Jürgen Klinsmann (Bayern München).
Kluitjesvoetbal. Zo noemt men het voetbal van de ® F-jes. Alle spelers zitten als een kluitje op de bal; er wordt weinig overgespeeld.
Kluts. Ook: `mêlée' of `scrimmage'. Doelworsteling; opeenhoping van spelers die elk voor zich strijden om het bezit van de bal, meestal voor of in de buurt van het doel. `Hij scoorde vanuit de kluts.'
Knal. Hard schot.
Knietje. 1. Voetbalknie (® meniscuslaesie). 2. Stoot met de knie (overtreding).
Knijpen. Het ruimte maken door een spits voor een opkomende flankverdediger, door naar binnen te gaan.
Knikken. Zachtjes ® koppen. Zie ook Slaan en Slippertje.
Knikker. De bal.
Knockoutsysteem. ® Afvalsysteem.
Knoert. Hard schot.
Knoest. Bijnaam van Dick Tol (Volendam).
Knollenveld. Voetbalveld dat in slechte staat verkeert.
KNVB. Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond.
Koffie. `Na de koffie' = na de rust.
Kogel. Zeer hard schot.
Kogelen. Zeer hard schieten.
Kogelkopbal. ® Kopbal waarbij de bal keihard met het voorhoofd wordt geraakt.
Koning van Lombardije. Bijnaam van Ruud Gullit (Chelsea).
Koning Voetbal. Autocratisch heerser, waarvoor soms alles en iedereen moet wijken.
Kooi. ® Doel.
Kopbal. Bal die met het hoofd wordt gespeeld. Zie ook Kogelkopbal, Snoeksprong en Zweefduikkopbal.
Kopgalg. Apparaat in de vorm van een galg waaraan een voetbal is opgehangen. Wordt gebruikt om het ® koppen te oefenen.
Koppen. Het spelen van de bal met het hoofd. Kan uit stand of in beweging plaatsvinden, al dan niet met behulp van springen.
Kopsterk. Dit zegt men van een speler die goed kan koppen.
Kopstoot. Hierbij stoot een speler zijn voorhoofd hard tegen het gezicht van een andere voetballer. Gewelddadige handeling die met een rode kaart moet worden bestraft. Zie Slaan.
Korte corner. Hoekschop die bestaat uit een tikje tegen de bal naar de dichtstbijzijnde medespeler, als begin van een ® combinatie, omdat de hoekschopnemer de bal niet opnieuw mag spelen voordat hij door een ander is aangeraakt (regel 17).
Korte hoek. De hoek van het doel die zich het dichtst bij een potentiële schutter bevindt.
Korte hoekschop. ® Korte corner.
Kort spel. Spel waarbij de bal met korte passes naar de medespelers wordt gespeeld.
K.O.-systeem. ® Afvalsysteem.
Krachtvoetbal. Voetbal waar meer uithoudingsvermogen en fysieke kracht aan te pas komt dan techniek en spelinzicht.
Krankzinnig kwartiertje. Uitermate produktieve fase van een voetbalwedstrijd, waarbij er, vergeleken met de rest van de wedstrijd, heel veel gebeurt.
Kromme. Bijnaam van Willem van Hanegem (Feyenoord), geïntroduceerd door sportjournalist Maarten de Vos (De Tijd).
Kromme bal. ® Bananashot.
Kruis. ® Kruising.
Kruising. Ook: `kruis' of `winkelhaak'. 1. De plaats waar doelpaal en deklat samenkomen. 2. De uiterste bovenhoek van het doel die vlak onder de kruising (1) gedacht moet worden. Er kan dus op en in de kruising worden geschoten. In het laatste geval is er sprake van een doelpunt.
Kruk. Slechte, onervaren voetballer.
Kuip. Het Feyenoord?stadion te Rotterdam.
Kuitenbijter. Ook: `klever' of `terriër'. Verdediger die het ® mandekken wel heel serieus opvat. Hij heeft soms meer oog voor de tegenstander dan voor de bal.
Kunstje flikken. Tegenstander verslaan. De term is gepopulariseerd door Leo Beenhakker. `We hebben die Rotterdammers toch maar een mooi kunstje geflikt.' `Ja, maar één kunstje maakt het hele seizoen niet goed.'
Kwalificatiewedstrijd. Voorrondewedstrijd waarbij wordt beslist of men kan deelnemen aan een bepaald toernooi of eindronde.
Kwartcirkel. Deel van een cirkel binnen het speelveld, getrokken met een straal van 90 cm van elke hoekvlaggestok. Wanneer een ® hoekschop wordt genomen, dient de bal binnen de kwartcirkel te liggen.
Kwartfinale. De reeks wedstrijden tussen de laatste acht deelnemers aan een toernooi. De winnaars gaan over naar de ® halve finale.
L
Laatste man. ® Ausputzer.
Lager lout (e). Bierpummel; soort ® hooligan. Zie ook Casual.
Lange bal. Pass over lange afstand. Vaak over de hele breedte van het veld gespeeld, diagonaal, van vleugel naar vleugel.
Lange halen, gauw thuis. Ook: werkvoetbal. Spelstijl om de aanval snel in de buurt van het vijandelijk doel te laten komen, door de bal ver in de diepte op de vleugelspelers te geven.
Laterale pass. ® Breedtepass.
Latten. `Hij staat onder de latten' = hij staat in het doel.
Leder. De bal.
Leeuwenhart. Bijnaam van Richard Møller Nielsen (bondscoach Finland).
Legioen. De gezamenlijke supporters.
Lel. Hard schot.
Lengtepass. ® Pass die van achteren komt en voorwaarts gaat.
Lepelen. 1. De bal met een verticale boog over een tegenstander heen schoppen. 2. Te hoog schieten.
Levende bal. Bal die in het spel is, in tegenstelling tot een ® dode bal.
Libero (i). Soort ® ausputzer; extra man in aanval en verdediging, die doorgaans door het centrum opkomt. Hij heeft geen vaste plaats en zijn belangrijkste taak is het voorkomen dat doorgebroken spelers scoren. Zie ook Inschuiven.
Lichtwedstrijd. Wedstrijd die 's avonds bij kunstlicht wordt gespeeld.
Lijnen. De lijnen waarmee het ® voetbalveld is afgebakend. De korte lijnen heten ® doellijnen en de lange worden ® zijlijnen genoemd. Zij mogen niet breder zijn dan 12 cm.
Lijnkeeper. Ook: lijnklever. Doelverdediger die niet graag uitkomt. Hij blijft het liefst in de buurt van de doellijn en komt als het even kan niet uit zijn doelgebied vandaan, laat staan uit het strafschopgebied.
Lijnklever. ® Lijnkeeper.
Lijnloper. ® Scheidsrechtersassistent.
Linksachter. De linker achterspeler, linksback in het ® stopperspilsysteem. Linksbinnen. De linker binnenspeler in het ® stopperspilsysteem.
Linksbuiten. De linkervleugelaanvaller, linker buitenspeler in het ® stopperspilsysteem.
Linkspoot. Speler die goed links kan trappen en daardoor zeer bruikbaar is in de linkerzone van het veld. Arnold Mühren was een bekende linkspoot.
Lob. Ook: lobbal. Hoge boogbal over de uitlopende keeper heen.
Locomotief. Schijnschot.
Loeier. Ook: loei. Hard schot.
Loeihard. Keihard.
LSC. Landelijke Scheidsrechterscommissie.
Lucky goal (e). ® Frommelgoal.
Lullopertje. Trainingsspel. Twee spelers spelen elkaar de bal toe, terwijl een derde - de lul - probeert deze te bemachtigen. Zodra hem dit is gelukt, is degene die de bal het laatst aanraakte `de lul'. Zie ook Lummelen.
Lummelen. Trainingsspel. Een groepje spelers staat in een cirkel opgesteld en speelt elkaar de bal toe. In het midden staat een teamgenoot die de passjes probeert te onderscheppen. Lukt dat, dan is het de beurt van de foutieve passer om in de cirkel op de bal te gaan jagen. Zie ook Lullopertje.
M
Magisch vierkant. Wordt in het ® stopperspilsysteem gevormd door beide ® kanthalfs tezamen met beide ® binnenspelers. Dit kwartet beheerst het middenveld.
Manager (e). Functionaris die verantwoordelijk is voor het financiële en organisatorische reilen en zeilen van een club.
Manche (f). Voorwedstrijd om te kunnen bepalen welke ploegen doorgaan naar de volgende ronde.
Mandekking. Manier van spelen waarbij een tegenspeler man tegen man wordt bewaakt. Bij een straffe mandekking wordt de directe tegenstander in principe over het hele speelveld geschaduwd. Bij een losse mandekking wordt de tegenstander alleen in de buurt van het eigen strafschopgebied persoonlijk gedekt. Zie ook Plaatsdekking.
Mandje. Bijnaam van Harry Heynen (ADO).
Mangelen. Het klemzetten van een speler.
Man-in-het-zwart. Scheidsrechter.
Die Mannschaft (d). Het Duitse nationale team.
Maradona van de Karpaten. Bijnaam van Gheorghe Hagi (FC Barcelona).
Markeren. Dekken; verdedigen.
Mat. Het speelveld.
Match (e). Wedstrijd.
Matchwinnaar. De speler die de wedstrijd in het voordeel van zijn elftal beslist door de winnende goal te scoren.
Mazzelgoal. Doelpunt waaraan veel geluk te pas komt.
Meeverdedigen. Het bijstaan van de verdediging door voorhoedespelers.
Mêlée (f). ® Kluts.
Meloen. Ook: Coen Meloen. Bijnaam van Coen Moulijn (Feyenoord).
Meniscus. ® Meniscuslaesie.
Meniscuslaesie. Ook: knietje. Voetbalknie; beschadiging in het kniegewricht.
Mexican wave (e). ® Wave.
M-formatie. Zie WM-systeem.
Mickey Mouse league (e). Hiermee bedoelen de Engelsen de Nederlandse eredivisie, die zij - in tegenstelling tot de Britse League - niet als een echte competitie beschouwen, omdat de Nederlandse topclubs `op een slof en een oude voetbalschoen' kampioen worden, zonder zich echt te hoeven inspannen.
Microben. Enigszins denigrerende benaming voor ® F-jes.
Middenbal. Zie Aftrap (2) en Miduit nemen.
Middencirkel. Het middelpunt van het speelveld, dat wordt bepaald door een cirkel met een straal van 9.15 meter. De functie van de middencirkel wordt duidelijk uit regel 8: iedere speler van de tegenpartij van de nemer van de aftrap moet op een afstand van tenminste 9.15 meter van de bal blijven, totdat de aftrap is genomen.
Middenlijn. Lijn die dwars over het speelveld is getrokken. Vooral van belang in verband met de buitenspelregel, want op de eigen speelhelft kan men niet buitenspel staan. Bovendien moet elke partij zich bij de aftrap op eigen speelhelft bevinden, dus achter de middenlijn.
Middenlinie. De veldspelers die de `verbindingstroepen' vormen tussen aanval en verdediging. In het ® stopperspilsysteem en het ® 4-2-4 systeem bestaat de middenlinie uit twee man, maar soms zijn het er wel vier, zoals in het ® 4-4-2 systeem.
Middenstip. Stip die zich midden in de ® middencirkel bevindt.
Middenveld. Het middengedeelte van het voetbalveld, rond de middencirkel tot halverwege beide speelhelften, ongeveer van strafschopgebied tot strafschopgebied.
Middenvelder. Ook: schakelspeler. Halfspeler; voetballer die doorgaans op het ® middenveld speelt en de verbinding vormt tussen aanvallers en verdedigers.
Middenvoor. Ook: midvoor. De middelste aanvaller in het ® stopperspilsysteem.
Midmidden. De middelste middenveldspeler in het 4-3-3 systeem.
Miduit nemen. Aftrappen nadat een goal is gescoord. Zie Aftrap.
MLS. Major League Soccer. De Amerikaanse voetbalcompetitie.
Molestatie. Volgens het bestuur amateurvoetbal van de KNVB luidt de definitie van molestatie als volgt: `Molestatie is elke vorm van gewelddadig handelen jegens, of intimidatie van een scheidsrechter, grensrechter, official en/of toeschouwer, voor tijdens of na de wedstrijd.'
Mooiweervoetballer. `Als hij op de juiste plaats en precies twee uur en een kwartier voor de wedstrijd lekker gegeten heeft, het veld een biljart is, er geen wind staat, als hij van snikheet houdt en het snikheet is, zijn eerste schot in de roos, dan heb je kans dat deze voetballer een behoorlijke wedstrijd spelen gaat. Hij is een mooiweervoetballer.' (Jan Mulder in De eeuwige reserve (1982).
Motor. ® Diesel.
Muit. ® Doel.
Muurpass. ® Pass die onmiddellijk aan de gever wordt geretourneerd.
Muurtje. Een rij veldspelers van de verdedigende ploeg, die bij vrije schoppen op de rand van het strafschopgebied wordt gevormd om het doel zo veel mogelijk af te schermen en het zicht op het doel te belemmeren. Zie ook Open muurtje.
N
Naadloze score. Ook: bloedeloze score. Slappe score.
Nacompetitie. Verlengstuk van de eigenlijke competitie, om te bepalen welke club met de competitiewinnaar uit de eerste divisie mag promoveren naar de eredivisie. Het fenomeen dateert uit 1973, nadat de tweede divisie was opgedoekt, hetgeen ten koste ging van de spanning in de eerste divisie.
NASL. North American Soccer League.
Nations Cup (e). Onder deze naam ging het ® EK in 1960 van start. Met ingang van 1968 werd het evenement `Europees Kampioenschap voor landenteams' genoemd. Zie ook Delaunay-trofee.
Natrappen. Het opzettelijk schoppen van een tegenstander nadat deze de bal heeft gespeeld. Levert een rode kaart op.
Natte krant. `Voetballen als een natte krant' = slecht voetballen.
Neerhalen. ® Neerleggen.
Neerleggen. Ook: neerhalen. Het onderuithalen van een tegenstander die op het punt staat om door te breken. Gebeurt men name voor het eigen doel, op de rand van het strafschopgebied, als noodgreep.
Neutralisatie. Het stilleggen van de wedstrijd.
Nipt. Op het kantje. `Een nipte overwinning.'
NOC. Nederlands Olympisch Comité, opgericht in 1912.
NOC*NSF. Nederlandse sportorganisatie die in 1993 ontstond uit de fusie tussen het ® NOC en de ® NSF.
Noodlanding. `Een noodlanding maken' = de bal in een netelige situatie uit het veld trappen.
Noodrem. `Aan de noodrem trekken' = een doorgebroken speler ten val brengen.
NSF. Nederlandse Sport Federatie. Bij deze organisatie, opgericht in 1959, zijn 92 landelijke sportorganisaties met bijna vijf miljoen sporters aangesloten.
NSP. Nederlandse Sport Pers.
Nul. `Op de nul spelen' = alleen maar verdedigen en ervoor zorgen dat de tegenstander niet kan scoren.
O
Obstructie. Ook: afhouden. Het opzettelijk hinderen van een tegenstander zonder de bal te spelen, d.w.z. tussen hem en de bal gaan lopen of, met de bedoeling daarmee de tegenstander te hinderen, het lichaam tussen hem en de bal plaatsen. Hierbij is doorgaans geen sprake van lichamelijk contact met de tegenstander. Te bestraffen met een indirecte vrije schop (regel 12). Zie ook Blokkeren.
Oefenmeester. Trainer, coach.
Oefenpotje. ® Oefenwedstrijd.
Oefenwedstrijd. Vriendschappelijke wedstrijd.
Oerwoudgeluiden. Denigrerende bedoelde geluiden die door toeschouwers worden gemaakt wanneer een donkere speler van de tegenpartij het veld betreedt of aan de bal is. Zie ook Sissen.
OFC. Oceania Football Confederation.
Offensief. 1. Aanval. 2. Aanvallend spelen.
Official (e). 1. Bondsbestuurder. 2. Lid van een wedstrijdorganisatie.
Offside (e). ® Buitenspel.
Omhaal. Hierbij staat de speler op de grond en trapt de bal uit de lucht over zijn eigen hoofd heen naar achteren. Uitgevonden door Umberto Caligaris (speelde van 1922 tot 1934 vijftig maal in het Italiaanse elftal).
Omhaalhakje. ® Hakje waarbij de speler de bal uit de lucht over zijn hoofd heen naar voren tikt.
Onderscheppen. Ook: interceptie. Het `afnemen' van de bal van een tegenstander nog voordat hij zelfs maar aan de bal komt.
Onderuithalen. Ook: neerleggen. Een tegenspeler opzettelijk ten val brengen.
Onmogelijke hoek. Zeer lastige maar niet echt onmogelijke hoek om vanuit te scoren, in de buurt van de achterlijn, richting hoekvlag.
Onside (e). Niet ® buitenspel.
Ontmoeting. Wedstrijd.
Onvervalst. Ook: origineel. Echt. (Verslaggeversjargon.) `Een onvervalste hattrick.'
Onweer. Dit wordt gevaarlijk beschouwd voor spelers en toeschouwers wanneer de tijd tussen het zien van de bliksem en de daaropvolgende donder minder dan tien seconden is. De wedstrijd dient dan direct te worden onderbroken.
Oortje. Bal die wordt gekopt met de zijkant van het hoofd.
Opbrengen. Het ® drijven van de bal, er vanuit de eigen verdediging mee naar voren gaan.
Openen van de score. Het eerste doelpunt in een wedstrijd scoren. Zie ook Verhogen.
Open muurtje. ® Muurtje waarin opzettelijk een gat is gelaten om de tegenstander te verleiden daar doorheen te schieten.
Open voetbal. Proberen meer doelpunten te scoren dan je tegenstander, zonder al te veel op diens tactiek te letten. Zie ook Behoudend voetbal.
Opgooibal. ® Scheidsrechterbal.
Op de man spelen. Zie Eerst de man dan de bal.
Op het publiek spelen. Ook: gallery play. De aandacht van het publiek op zich vestigen.
Op het verkeerde been zetten. Het uit balans brengen van een tegenstander door middel van een schijnbeweging.
Opkomen. Het inschakelen van een man extra in de eigen aanval, tussen de medespeler?in?balbezit en het vijandelijke doel in. Daarbij passeert de opkomende man de balbezitter achterlangs, om vervolgens de bal te krijgen toegespeeld.
Opruimer. Ook: achterstopper. ® Ausputzer of ® libero.
Oranje. De Nederlandse nationale voetbalploeg.
Orgelpunt. Doorslaggevend doelpunt.
Oude Dame. Bijnaam van de club Juventus.
Outswinger (e). Hoekschop. Boogbal tot voor het doel, die in tegenstelling tot de ® inswinger van het doel weg draait.
Ouverture. Openingswedstrijd van een bepaalde competitie.
Over de hele. Pass of voorzet over de hele breedte van het veld, van vleugel naar vleugel, waarmee het spel wordt opengegooid.
Overlappen. Het langs de zijlijn meelopen met een medespeler die de bal heeft, om hem te kunnen helpen wanneer dat nodig is.
Overnemen. 1. Het overnemen van de positie van een gepasseerde medespeler, door de doorgebroken tegenstander?met?bal aan te vallen. Dit om te voorkomen dat er een gat valt in de verdediging. 2. Rugdekking geven aan een ten aanval trekkende medespeler, een opkomende back, door diens man te gaan afschermen.
Overpakken. Dit doen doelverdedigers wanneer zij met hun tegengestelde (verste) hand naar de bal reiken als die in de bovenhoek dreigt te gaan. De verste arm komt namelijk veel verder dan de arm aan de kant van de bal.
Overspelen. ® Passen. Zie ook Combineren.
Overstapje. Dribbel met schijnbeweging. 1. Over de bal heen stappen om hem onmiddellijk met de andere voet in tegengestelde richting mee te nemen en aldus de tegenstander te passeren. 2. Doen alsof je de toegespeelde bal aanneemt, maar er op het laatste moment overheenstappen en hem laten doorlopen naar een vrijstaande medespeler achter je.
Overtreding. Handeling die in strijd is met de regels van het spel.
P
Paartje. De twee leden van het paartje zijn elkaars persoonlijke tegenstander bij ® mandekking.
Paco. Bijnaam van Sjaak Swart (Ajax).
Paniekvoetbal. In het wilde weg verdedigen, redden wat er te redden valt.
Pasjesregeling. Systeem dat is ingevoerd om het voetbalvandalisme te bestrijden. De supporters krijgen alleen toegang tot het stadion op vertoon van hun voetbalpasje.
Pass (e). Schot in de richting van een medespeler.
Passen (spreek uit: `pasen'). Ook: `overspelen' of `afgeven'. Het spelen van de bal naar een medespeler. Zie Breedtepass, Crosspass, Dieptepass en Lengtepass.
Patatgeneratie. Generatie voetballers die niet hard genoeg traint, vaak onvoldoende bij de les is en zich slecht verzorgt.
Pattern-weaving (e). ® Breien.
Pegel. Hard schot.
Penalty (e). ® Strafschop.
Penaltygebied. ® Strafschopgebied.
Penaltyschieten. 1. De strafschoppen waarmee na de verlenging onbesliste (beker)wedstrijden worden beslist. Elke partij neemt vijf schoppen, om en om, net zo lang totdat er een beslissing valt. Elke penalty moet weer door een andere speler worden genomen, totdat eventueel nr. 1 weer aan de beurt is bij schop nr. 12. (De keepers doen ook mee.)
Penetration pass (e). ® Dieptepass.
Peter Pan. Bijnaam van Ally McCoist (Glasgow Rangers).
Piepelen. ® Dollen.
Pil. Hard schot.
Piloteren. Een speler in de aanval sturen.
Pinch hitter (e). Redder in de nood. Aanvaller die speciaal tijdens een wedstrijd als wisselspeler wordt ingezet om met een belangrijk doelpunt de wedstrijd voor zijn eigen team te beslissen of tenminste ten goede te keren. De term is afkomstig uit het honkbal.
Pineut. ® Strafschop.
Pingel. ® Strafschop.
Pingelen. Te lang door blijven dribbelen, waardoor balverlies en tempoverlies optreden.
Pingeldoos. Onverbeterlijke pingelaar.
Plaatsdekking. Manier van verdedigen waarbij elke verdediger een vaste positie inneemt. Zie ook Mandekking.
Playing captain (e). Speler-coach. Ruud Gullit vervult deze dubbelfunctie bij Chelsea.
Play-off (e). Beslissingswedstrijd.
Pleintjesvoetbal. ® Flipperkastvoetbal.
Plofbal. Hoge pass over grote afstand. De bal ploft rustig neer zonder over de zij? of achterlijn door te glijden.
Plukken. Zie Plukbal.
Plukbal. Hoge bal die door de opspringende doelverdediger met gestrekte armen wordt opgevangen, uit de lucht wordt geplukt.
Poeier. Hard schot.
Poeieren. Hard schieten.
Poep. Bijnaam van Pierre Hanon (Anderlecht).
Poetsen. Hard werk verrichten op het veld.
Pompen. Alle ballen hoog voorzetten, hoog voor de pot gooien.
Poorten. ® Benentikken.
Portier. ® Doelverdediger.
Positiedekking. Losse mandekking. Zie Mandekking.
Pot. 1. ® Doel. 2. Doelpunt.
P.O.'tje. Professioneel ontwijken van een lastige of domme vraag van een interviewer, door er geen antwoord op te geven. De term is afkomstig van Dennis Bergkamp (Arsenal).
Potje voetbal. Voetbalwedstrijd.
Prakkie. De edele delen. Dienen goed te worden beschermd.
Premie. Extra betaling voor bijzondere prestaties.
Prent. ® Rode kaart.
Pressievoetbal. Spelstijl waarbij tijdens een offensief ononderbroken druk wordt uitgeoefend op het doel van de tegenpartij door snelle, korte combinaties.
Prikbal. Venijnig schot op doel, genomen met de punt van de schoen. Desondanks vaak erg nauwkeurig.
Professional (e). Beroepsvoetballer.
Professioneel ontwijken. ® P.O.'tje.
Professionele overtreding. Ook: tactische foul. Het aan de ® noodrem trekken door opzettelijk een overtreding te begaan, waarbij men de straf voor lief neemt. Vindt plaats zolang de straf niet opweegt tegen het voordeel.
Promoveren. Naar een hogere klasse overgaan. Zie ook Degraderen.
PTT-Telecompetitie. De hoogste klasse van het Nederlands betaald voetbal, gesponsord door PTT-Telecom, die tevens begunstiger van het Nederlands elftal is.
Publiekswissel. ® Applauswissel.
Punter. Trap tegen de bal met de punt van de schoen. Onvoorspelbaar, want je weet nooit waar de bal terecht komt. Zie ook Prikbal.
Punteren. Met de punt van de schoen tegen de bal trappen. Niet volgens het boekje.
Puntspeler. Voorhoedespeler; spits.
Putjebal. Partijtje straatvoetbal, waarbij putten van de riolering als doelen worden gebruikt.
Q
Quick whistler (e). Scheidsrechter die direct fluit wanneer hij een buitenspelsituatie constateert, zonder af te wachten of er opzet in het spel is. Zie ook Blower-on-sight.
Quotezak (spreek uit: kwootzak). Voetbaljournalist die zijn verslag doorspekt met citaten van spelers en trainers. Hij verzamelt zijn materiaal door na de wedstrijd naar de kleedkamer te gaan en uitspraken van spelers en trainers op te vangen. Zie ook Tribunezitter.
R
Raid (e). Aanval.
Rammen. Zeer hard tackelen.
Rausen. Ruw voetballen en veel tackelen.
Rebound (e). Terugkaatsing van de bal tegen doelverdediger, doelpaal of deklat.
Rechtsachter. De rechter achterspeler, rechtsback in het ® stopperspilsysteem.
Rechtsbinnen. De rechter binnenspeler in het ® stopperspilsysteem.
Rechtsbuiten. De rechtervleugelaanvaller, de rechter buitenspeler in het ® stopperspilsysteem.
Rechtspoot. Voetballer die voornamelijk met het rechterbeen speelt. Komt vaker voor dan ® linkspoot.
Ref. Ook: referee (e). ® Scheidsrechter.
Registratievoetbal. ® Resultaatvoetbal.
Remise. Gelijkspel.
Remiseren. De wedstrijd in een gelijkspel beëindigen.
Replay (e). Herhalingswedstrijd.
Reservebank. 1. ® Dug out. 2. Figuurlijk gesproken de plaats waar de reservespelers zitten, ook al bevinden zij zich elders.
Resultaatvoetbal. Stijl waarbij het voorkomen van tegengoals uitgangspunt is en men zich niets aantrekt van het publiek dat een aantrekkelijke wedstrijd wil zien. Alles draait om balbezit en het eindresultaat. Waarom zou je 2-0 scoren als je aan 1-0 genoeg hebt?
Retro. ® Omhaal.
Return (e). De tweede wedstrijd van de uit? en thuiswedstrijd die twee ploegen tegen elkaar moeten spelen in competitie of cup.
Risico?club. Club met een aanhang waarvan de `harde kern' zich eerder herhaaldelijk heeft schuldig gemaakt aan voetvalvandalisme en die op dit terrein dus een kwalijke reputatie geniet.
Risico?wedstrijd. Wedstrijd in het betaald voetbal waarbij de kans bestaat dat deze ontaardt in voetbalvandalisme.
Robin Hood. Bijnaam van Gianluca Vialli (Glasgow Rangers).
Robinsonade. ® Duiken.
Rode duivels. Het nationale team van België.
Rode kaart. Kaart, rood van kleur, die door de scheidsrechter aan een speler wordt getoond ten teken dat hij uit het veld wordt gestuurd wegens een gewelddadige handeling, ernstig gemeen spel of onbehoorlijke of beledigende taal. Zie ook Gele kaart.
Rodekaarteritis. Dit wordt gezegd van een scheidsrechter die erg snel met een rode kaart zwaait.
Rode lantaarn. De laatste plaats in een competitiestand.
Roei. Harde trap.
Rollertje. Bal die zachtjes richting doel rolt.
Rondspelen. De bal telkens blijven overschieten om hem in de ploeg te houden.
Rood pannetje. Vrijkaartje.
Rookie (e). Speler die zijn eerste jaar als professional speelt.
Rugdekking. Hiervan is sprake wanneer de ruimte achter een medespeler die zelf mandekt, of die een tegenstander aanvalt dan wel zelf opkomt, wordt gedekt.
Rugnummer. Op het shirt bevestigd nummer dat dient ter identificatie van de spelers.
Ruimen. Een bal ver weg trappen.
Ruimtedekking. Hierbij worden in eerste instantie geen bepaalde tegenstanders afgedekt zoals bij de persoonlijke mandekking, maar een gedeelte van het veld, een bepaalde zone. De op elkaar aansluitende zones bestrijken uiteraard de hele breedte van het veld.
Runner-up (e). Voetbalclub die kans maakt de eerste plaats te bereiken en de kampioen van de troon te stoten.
Runners Up-cup. ® Europacup III.
Rustsignaal. Het fluitsignaal van de scheidsrechter, na afloop van de eerste helft, ten teken dat het rust is.
S
Safety first (e). Uitdrukking die inhoudt dat verdedigers geen risico moeten nemen.
Sandwichen. Het stoppen van een tegenstander door hem tussen twee spelers in te mangelen.
Save (e). Moeilijke, knappe redding van de keeper, vaak met een zweefduik of ?sprong.
Schaakvoetbal. Voetbal waarbij de bal net zo lang in de ploeg rondgaat totdat er een openingetje is gevonden.
Schaarbeweging. Beweging waarbij met de buitenkant van de rechtervoet over de bal wordt geaaid, om hem vervolgens snel in de andere richting te plaatsen. Piet Keizer (Ajax, Nederlands elftal) was een expert op dit gebied. Zie ook Dubbele schaar.
Schaduwspits. Zie Centrumspits.
Schakelen. ® Sjouwen.
Schakelspeler. ® Middenvelder.
Scheenbeschermers. Behoren in Nederland tot de verplichte ® uitrusting van spelers in het betaald voetbal. Zij moeten volledig door kousen zijn bedekt.
Scheendekkers. ® Scheenbeschermers.
Scheermes. Keiharde verdediger.
Scheidsrechter. Ook: `arbiter' of `scheids'. Onpartijdige functionaris die de wedstrijd leidt, in samenwerking met de twee grensrechters. De uitspraak van de scheidsrechter inzake spelaangelegenheden is beslissend wat het resultaat van de wedstrijd betreft (regel 5).
Scheidsrechterbal. Ook: opgooibal. Spelregel 8: Bij hervatting van de wedstrijd na een tijdelijke onderbreking om een andere reden dan elders in de regels genoemd, moet de scheidsrechter, tenzij de bal onmiddellijk voor deze onderbreking over een doel? of zijlijn is gegaan, de bal laten vallen op de plaats waar deze was toen het spel werd onderbroken; de bal is in het spel zodra hij de grond heeft geraakt.
Scheidsrechtersassistent. Afkorting: SRA. Ook: `grensrechter', `hulpscheidsrechter' of `vlaggenist'. Elk van de twee personen die samen met de scheidsrechter het `arbitrale trio' vormen. Zij zijn de assistenten van de scheidsrechter, die hem aan de zijlijn van het veld bijstaan in zijn taak om de wedstrijd overeenkomstig de regels te leiden en onder meer aangeven wanneer er sprake is van ® buitenspel, of de bal buiten het speelveld is, en welke ploeg recht heeft op een ® hoekschop, ® doelschop of ® inworp.
Scheppie. Hoge, verre voorzet.
Scherpschutter. Speler die zeer goed kan scoren.
Scheur. `Een scheur krijgen' = verpletterend verliezen.
Schietkraam. ® Doel.
Schijnbeweging. Een dribbelbeweging waardoor de directe tegenstander opzettelijk uit balans wordt gebracht.
Schijnhakje. Doen alsof je de bal achterwaarts wilt passen naar een medespeler met een hakballetje, maar in plaats daarvan de bal met dezelfde voet weer meenemen en zo je tegenstander passeren. Bij dit trucje gaat de voet snel heen en weer over de bal.
Schoffelen. ® Bikkelen.
Schroeien. Pijnlijk balgedrag, althans vanuit het oogpunt van de keeper. `De bal schroeide het net via de binnenkant van de paal.'
Schuifie-schuifie. Speelmethode waarbij de bal aan de grond wordt gehouden.
Schuiver. Hard schot over de grond.
Schutteren. Slecht en ongecontroleerd voetballen.
Scissors kick (e). ® Halve omhaal.
Scoren. Een doelpunt maken.
Scout (e). ® Talent-scout.
Scrimmage (e). ® Kluts.
Semi-finale. ® Halve finale.
Serie A. De hoogste afdeling van het Italiaans betaald voetbal.
Shirtjetrekken. Het vasthouden van een tegenstander aan zijn shirtje.
Showkeeper. Doelverdediger die indruk op het publiek wil maken met zijn manier van keepen, bijvoorbeeld door te duiken wanneer hij de bal gemakkelijk staande kan opvangen.
Side (e). Groep ® supporters die doorgaans een vaste plaats op de tribune inneemt (F-side). Sommige sides zijn nogal berucht.
Sissen. Denigrerend bedoeld geluid dat door aanhangers van de tegenpartij wordt gemaakt tegen voetballers of supporters van Ajax. Het sissen heeft betrekking op het geluid van de gaskamers uit de Tweede Wereldoorlog (Ajax wordt ook wel `jodenclub' genoemd).
Sjouwen. Ook: schakelen. Het halen en brengen van de bal naar de voorhoede. Dit werd in het ® stopperspilsysteem gedaan door de halfs, de middenvelders. Zij sjouwden heel wat af.
Skipper (e). ® Aanvoerder.
Sky-box (e). Speciale loge boven de tribunes van een stadion, uitsluitend bestemd voor ® bobo's en ® VIPs.
Slaan. Hard ® koppen. Zie ook Knikken en Slippertje.
Slalom. Zigzagbeweging waarbij tegenstanders worden omspeeld.
Slangemens. Bijnaam van Rob Rensenbrink (Anderlecht, Oranje) vanwege zijn onnavolgbare slalomdribbels.
Sleutelspeler. Voetballer die een belangrijke functie in het elftal vervult.
Sliding (e). Vorm van tackelen. De bal al glijdend wegspelen voor de voeten van een tegenstander, met een of beide benen vooruit. Wanneer de bal wordt gemist en de speler wordt geraakt, kan dit worden bestraft met een ® gele kaart of een ® indirecte vrije schop.
Slippertje. Zachte ® kopbal, waarbij de bal alleen maar heel eventjes met de kruin wordt aangeraakt. Zie ook Knikken en Slaan.
Slof. Voetbalschoen.
Sloper. Ook: `bikkelaar' of `breker'. Voetballer die er hard tegenaan gaat.
Slotman. Doelverdediger.
Slow hand (e). ® Slow hand clapping.
Slow hand clapping (e). Ook: slow hand. Langzaam klappen, om ongenoegen te uiten. `Al na een kwartier golfde de slow hand van de tribune.'
Sluipschutter. Onopvallende voetballer die plotseling opduikt en scoort.
Sluitpost. Doelverdediger.
Smaakmaker. ® Spelverdeler.
Smokkelen. Het inwerpen van de bal op een andere plaats dan waar de bal is uitgegaan. Spelregel 15 zegt dat een inworp, die wordt uitgevoerd vanaf een plaats anders dan die, waar de bal over de zijlijn ging, moet worden beschouwd als een onjuist uitgevoerde, derhalve foutieve, inworp. Dit betekent dat een speler van de tegenpartij de bal moet inwerpen. Smokkelen vindt ook plaats bij de ® vrije schop.
Sneeuwvlokje. Bijnaam van Ronald Koeman in Spanje bij FC Barcelona.
Snijden. De bal met effect raken.
Snoeihard. Keihard.
Snoekduik. ® Snoeksprong.
Snoeksprong. Ook: snoekduik. ® Kopbal waarbij de speler zich voorover naar de bal toe werpt.
Snoetje. Bijnaam van Nico Jansen (FC Amsterdam, Feyenoord).
Speelveld. ® Voetbalveld.
Speerpunt. Spits; voorhoedespeler.
Spelbederf. Onsportief gedrag, zoals tijdrekken bij een inworp of doelschop, wegtrappen van de bal nadat er al door de scheidsrechter is gefloten, het vastpakken van een tegenstander bij het lichaam of aan zijn kleren, opzettelijk hands maken om een aanval af te breken enz.
Spelbepaler. ® Spelverdeler.
Spelverdeler. Doorgaans een middenveldspeler die de spelopbouw bepaalt, als het ware als dirigent optreedt. Willem van Hanegem was zo'n typische spelverdeler, Eric Cantona is er een.
Spetter. Zeer hard schot.
Spielmacher (d). ® Spelverdeler.
Spin. Bijnaam van Cudicini, doelman van Inter Milaan.
Spits. Aanvaller in vooruitgeschoven positie, in de punt van de aanval, onder meer bij het ® 4-3-3 systeem en het ® 4-4-2 systeem.
Spitsuur. ® Kluts.
Squadra azzurra (i). Ook: azzurri. Het Italiaanse nationale team.
SRA. ® Scheidsrechtersassistent.
Staander. ® Doelpaal.
Staken van de wedstrijd. Redenen hiervoor kunnen zijn: 1. Weersomstandigheden of duisternis (bijvoorbeeld uitvallen van de lichtinstallatie); 2. Eén of beide elftallen beschikken niet meer over ten minste acht spelers; 3. Ongeregeldheden op het speelveld; 4. Overlast van het publiek; 5. Onbespeelbaar terrein;
Steekpassje. ® Dieptepass tussen tegenstanders door, waarop een medespeler kan lopen om voor het vijandelijke doel op te duiken.
Stek. Plaats waar een speler opgesteld staat.
Stervende zwaan. Het stimuleren van een blessure, om tijd te rekken of de concentratie van de tegenpartij te verstoren. Wanneer de zwaan origineel, mooi en vooral geloofwaardig sterft, kan er in het penaltygebied nog wel eens een strafschop worden versierd.
Stier. Voetballer die er hard tegenaan gaat.
Stiftbal. De bal wordt niet te hard en van onderen geraakt, zonder trappende beweging, waardoor hij met een boog over de tegenstander heen gaat.
Stip. Ook: `witte stip', `elfmeterstip' of `strafschopstip'. Het strafschoppunt dat in het strafschopgebied tegenover het midden van de doellijn is aangebracht, op een afstand van 11 meter van de doellijn.
Stofzuiger. 1. Opofferingsgezinde middenvelder die alles opruimt wat anderen laten liggen en zichzelf geheel wegcijfert voor het elftal. 2. Bijnaam van Willy van der Kerkhof (PSV, Nederlands elftal) en Paul Ince (Inter Milaan).
Stoney. Bijnaam van Steven Stone (Nottingham Forest).
Stoorzender. Aanvaller die probeert de tegenaanvallen te ontregelen.
Stoppen. Het onder controle brengen van een bewegende bal. Mag met alle lichaamsdelen, behalve de handen en de armen.
Stopperspil. Ook: `derde back' of `stopper'. De verdediger die in het ® stopperspilsysteem tussen beide backs spelend, de midvoor van de tegenpartij moest dekken.
Stopperspilsysteem. Ook: `SSS', `WM-systeem' of `3-2-2-3 systeem'. Bij dit systeem speelde de voorhoede in W-formatie, terwijl de middenlinie en de achterhoede in M-formatie speelde (3-2-2-3). De backs dekten de buitenspelers en de kanthalfs dekten de binnenspelers van de tegenpartij. De ® stopperspil dekte de vijandelijke midvoor. Zie ook Magisch vierkant en Sjouwen.
Storen. Het verhinderen dat de man aan de bal deze vrijelijk opbrengt of diep passt, waardoor de aanvalsopbouw in de kiem wordt gesmoord.
Stormram. Ook: tank. Aanvaller die door de verdediging van de tegenpartij heenbreekt en doorgaans scoort.
Strafschop. Ook: penalty. Directe vrije trap vanaf de ® stip, als straf voor een overtreding die door de verdedigende partij binnen het eigen penaltygebied is begaan. Tot het moment dat de bal wordt geschoten, moet de doelman ? zonder zijn voeten te verplaatsen ? op de doellijn tussen de doelpalen blijven staan. Hij mag wel met armen en bovenlichaam bewegen en zo proberen de schutter te misleiden of te irriteren.
Strafschopgebied. Ook: `penaltygebied', `de zestien', `zestienmetergebied' of `the box'. De ruimte binnen de ® doellijn en de twee lijnen die loodrecht op de doellijn zijn getrokken op een afstand van 16.50 meter van elke doelpaal en met een lengte van 16.50 meter, alsmede de evenwijdig aan de doellijn lopende lijn die de uiteinden van deze twee loodrechte lijnen met elkaar verbind.
Strafschopstip. ® Stip.
Strak. Mooi. `Een strak doelpunt.' Zie ook Streep.
Streep. Zeer hard en recht schot. `Een streep trekken'. Zie ook Strak.
Stuiterbal. Een bal over de grond die vlak voor de doellijn plotseling opspringt, bijvoorbeeld door slechte terreinomstandigheden. De schrik van elke doelverdediger.
Sudden death (e). ® Gouden doelpunt.
Super Cup. ® Johan Cruijff Schaal.
Supertrio. Zo werd het trio Marco van Basten, Ruud Gullit en Frank Rijkaard in Milaan genoemd.
Supporter (e). Voetbalfan die zich met een bepaalde club verbonden voelt.
Supportershome (e). Onderkomen van een ® side.
Sweeper (e). ® Ausputzer.
Switchen. Het van positie verwisselen van twee aanvallers, terwijl hun eigen partij in balbezit is.
Systematisch buitenspel. ® Buitenspelval.
T
Tackelen. Ook: tekkelen. Het krachtig aanvallen van een balbezittende tegenstander om hem de bal afhandig te maken.
Tackle (e). Krachtige aanval op balbezittende tegenstander.
Tactiek. De vóór het spel overeengekomen speelwijze, die betrekking heeft op de eigen kracht en tekortkomingen, alsmede op de informatie die men heeft verkregen over de sterke en zwakke punten van de tegenstander.
Tactische foul. ® Professionele overtreding.
Talent-scout (e). Talentenjager; functionaris van een voetbalclub die talentvolle spelers tracht op te sporen en onder contract te krijgen.
Tank. 1. Bijnaam van Theo Laseroms (Sparta, Feyenoord). 2. Benaming voor de stormram?midvoor uit het ® stopperspilsysteem.
Tartan Army (e). Het supporterslegioen van het Schotse nationale team. `Tartan' heeft betrekking op het bekende Schotse ruitmotief.
Team. Ploeg, elftal.
Teamspeler. Veldspeler die zich geheel in dienst van zijn ploeg stelt en zijn eigen capaciteiten ondergeschikt maakt aan de afgesproken tactiek. Jan Wouters (Ajax, Nederlands elftal) was zo'n typische teamspeler.
Tegengoal. 1. Doelpunt dat door de tegenpartij wordt gescoord. 2. Doelpunt dat wordt gescoord nadat de andere partij heeft gescoord.
Tegen zichzelf lopen voetballen. Niets presteren op het veld, doorgaans vanwege het ontbreken van voldoende zelfvertrouwen. `Hij loopt tegen zichzelf te voetballen.'
Tekkelen. ® Tackelen.
Telefoneren. 1. Onbewust zodanig bewegen dat de tegenstander weet wat er gaat gebeuren. 2. Veel met lange passes werken, om zo snel mogelijk bij het doel van de tegenstander te komen.
Telegrafieren (d). ® Telefoneren.
Tempovoetbal. Spelstijl waarbij de bal snel wordt gepasst en het elftal voortdurend in beweging is.
Terriër. ® Kuitenbijter.
Terugleggen. Ook: `achterwaarts passen' of `kaatsen'. Wordt vaak gedaan wanneer er sprake is van een straffe mandekking, waardoor de kaatser gedwongen is op een achter hem staande medespeler terug te leggen.
Terugspeelbal. ® Pass op de doelverdediger, richting eigen doel. Zie ook Tijdrekken.
Terugverdedigen. ® Meeverdedigen.
Thee. Zie Appelsienen en Koffie.
Through pass (e). ® Dieptepass tussen tegenstanders door.
Thuisclub. De club die op eigen terrein speelt.
Thuisfluiter. Ook: home referee. Scheidsrechter die uit angst voor en/of onder invloed van het publiek partijdig fluit in het voordeel van de thuisspelende club.
Thuisnederlaag. Hiervan is sprake wanneer de ® thuisclub de wedstrijd verliest.
Thuisploeg. ® Thuisclub.
Thuisvoordeel. Het voordeel dat wordt toegerekend aan de partij die thuisspeelt. De meeste wedstrijden worden gewonnen door de thuisclubs worden gewonnen.
Thuiswedstrijd. Competitiewedstrijd op eigen terrein, voor eigen publiek. Zie ook Uitwedstrijd.
Tifosi (i). 1. Tyfuslijders. 2. Enthousiaste (Italiaanse) supporters.
Tijdrekken. Het om tactische redenen ophouden van het spel, vaak door de bal herhaaldelijk op de keeper terug te spelen.
Tikken. Het ® rondspelen van de bal zonder dat de tegenpartij er aan te pas komt. `Ajax loopt te tikken.'
Tikkie. Korte ® pass.
Tikkie terug. Korte pass achterwaarts.
Tilt. `Op tilt zetten' = uitschakelen.
Timen. Zie Timing.
Timing (e). Het bepalen welk moment het geschiktst is om handelend te gaan optreden.
TIPS. Techniek, Intelligentie, Persoonlijkheid en Snelheid. Ajax-systeem om spelers te kunnen beoordelen.
Topscorer (e). Veldspeler die buitengewoon veel doelpunten heeft gescoord.
Topspin (e). Zie Bananashot.
Torinstinct (d). Het vermogen van aanvallers om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn en dan te scoren.
Torriecher (d). Aanvaller die een neus heeft voor doelrijpe situaties.
Toss (e). Ook: tossen. Het opgooien van een muntstuk door de scheidsrechter om te beslissen welk elftal het doel mag kiezen of de aftrap mag nemen.
Tossen. ® Toss.
Totaalvoetbal. Volgens de beginselen van het totaalvoetbal moet het hele team gaan meeverdedigen zodra balverlies is geleden, en vallen verdedigers mee aan wanneer de eigen ploeg in balbezit is. De term is ontstaan in het begin van de jaren zeventig en werd gebezigd voor het spel van het Nederlands elftal in 1974 en dat van Ajax.
Trainer (e). Ook: coach. Functionaris die zijn team stelselmatig laat oefenen en voor, tijdens en na de wedstrijd tactische aanwijzingen geeft.
Transfer. Overdracht van een speler aan een andere club, tegen betaling.
Transferlijst. Lijst van beroepsspelers die voor ® transfer in aanmerking komen.
Transfervrij. Zo wordt een speler genoemd die niet meer aan een contract gebonden is en vrij is om door een andere club overgenomen te worden.
Trappers. Voetbalschoenen.
Trapvast. Dit wordt gezegd van een veldspeler die de traptechniek beheerst. `Hij is trapvast.' Zie ook Klemvast.
Treffen. Wedstrijd.
Treffer. Doelpunt.
Trekbal. Schuin achterwaartse pass over de grond, meestal vanaf de achterlijn, aan de zijkant van het veld, tot voor het doel.
Triangulation (e). Zie Driehoekje.
Tribunezitter. Sportredacteur die zijn verslag baseert op dat wat er op het voetbalveld gebeurt. Zie ook Quotezak.
Twee benen. Met beide benen vooruit naar de bal toe ® tackelen. Gevaarlijk.
Tweebenig. Links en rechts goed kunnen trappen en schieten. Dit is dus het na te streven ideaal. Zie ook Eenbenig.
Tweede. B-team van een voetbalclub. `Hij voetbalt in het tweede.'
Tweede paal. De doelpaal die zich bij hoekschoppen het verst van de hoekschopnemer bevindt en waar de kopspecialisten zich soms opstellen om inkomend op de corner hun geluk te beproeven. Zie ook Eerste paal.
U
UEFA. Union Européenne de Football Association. De Europese Voetbal Federatie, opgericht in 1954.
UEFA Cup. Heette tot 1971 de `Jaarbeursstedenbeker', daarna de Runners Up-cup en sinds de jaren tachtig ® Europa Cup III.
UEFA-waarnemer. ® Official die bij Europa Cup-wedstrijden het ® arbitraire trio versterkt en zich met name bezighoudt met de gebeurtenissen buiten het veld (wissels, coaches enz.).
Uit. De bal is uit wanneer deze de zijlijn heeft gepasseerd.
Uitbal. Bal die ® uit is. Zie ook Doelschop en Inworp.
Uitgelopen dineetje. Omkoopschandaal.
Uitgooien. Dit doet de doelverdediger wanneer hij de bal met de hand weer in het spel brengt, in plaats de bal uit te trappen.
Uitkappen. Zie Kappen.
Uitloopruimte. In principe moet er rond elk speelveld een uitloopruimte van minimaal 4 meter zijn, waarbinnen zich geen obstakels mogen bevinden.
Uitlopen. Dit doet de doelverdediger wanneer hij buiten zijn doelgebied begeeft, om het doelvlak te verkleinen.
Uitrusting. De uitrusting van de voetballer bestaat uit een shirt, broek, kousen, scheenbeschermers en schoenen. (De verplichting ten aanzien van de scheenbeschermers geldt in Nederland niet voor het amateurvoetbal.)
Uitschieten. ® Uittrappen.
Uitspelen. De tegenstander niet aan bod laten komen door hem voortdurend te passeren of in balbezit te blijven.
Uitswinger. ® Outswinger.
Uittrappen. Ook: uitschieten. Het weer in het spel brengen van de bal door er een trap tegenaan te geven.
Uitverdedigen. Zich uit de eigen verdediging spelen en het spel van achteren opbouwen nadat balbezit is veroverd.
Uitwedstrijd. Competitiewedstrijd op het terrein van de tegenpartij. Zie ook Thuiswedstrijd.
Umpire (e). ® Scheidsrechter.
USSF. United States Soccer Federation.
V
Vallende ziekte. Heeft niets met epilepsie te maken, maar duidt op spelers die zich snel en graag laten vallen, om te proberen een vrije trap mee te krijgen. `Vialli heeft weer eens last van vallende ziekte.'
Vals. Niet echt. Een `valse rechtsbuiten' is een teruggetrokken spelende aanvaller. Zie Hangen en Hangende spits.
Vangbal. Bal die door de doelverdediger met beide handen in de lucht wordt onderschept.
Vastzetten. Het voorkomen dat de tegenpartij kan uitverdedigen en tot spelopbouw kan komen, onder meer door gecoördineerd ® jagen op de bal. De tegenpartij wordt als het ware vastgezet voor het eigen strafschopgebied.
Vechtcompetitie. Competitie waarbij vechtpartijen tussen de supporters plaatsvinden.
Veilig. `Op veilig spelen' = 1. De tegenpartij omkopen. 2. Geen risico nemen. Zie Behoudend voetbal.
Veldspeler. Elk der spelers in het veld, uitgezonderd de doelmannen in hun eigen doelgebieden.
Veldvoetbal. Gewoon voetbal, in tegenstelling tot zaalvoetbal.
Verhogen. Een doelpunt aan een score toevoegen. `Claes opende de score, Carboni verhoogde door in eigen doel te schieten.'
Verlenging. Voortzetting van een wedstrijd die na de reglementaire speelduur onbeslist is geëindigd. Duurt doorgaans twee keer vijftien minuten. Voor de verlenging moet de scheidsrechter opnieuw laten tossen. Zie ook Gouden doelpunt en Penaltyschieten.
Verlosser. Vroegere bijnaam van Johan Cruijff in Spanje (FC Barcelona).
Verplaatsing. Het spelen van een ® uitwedstrijd.
Verre ingooi. Verre ® inworp ter hoogte van het vijandelijke strafschopgebied. Levensgevaarlijk voor de tegenstander, want er kan uit worden gescoord.
Verstoppen. Zich niet aanbieden, niet vrijlopen, maar uit gebrek aan zelfvertrouwen in de vijandelijke dekking blijven hangen en zo min of meer bewust voorkomen dat men wordt aangespeeld. Komt voor bij uit vorm geraakte spelers.
Veste. Doel.
Veteraan. 1. Sportbeoefenaar van oudere leeftijd. 2. Zeer ervaren sportbeoefenaar. (`De veteraan van de strafschoppen.')
Veteranenwedstrijd. Wedstrijd met spelers van boven de 35 jaar.
4-3-3 systeem. Spelsysteem met een teamopstelling van vier verdedigers, drie middenveldspelers en drie aanvallers. Net als het ® 4-4-2 systeem een nieuwe spelsysteemvariant op het ® 4-2-4 systeem.
Vierkant draaien. Slecht spelen.
Vierstappenregel. Een doelverdediger mag niet meer dan vier stappen doen terwijl hij de bal vasthoudt, laat stuiten of hem omhoog gooit en dan weer vangt. Uiterlijk na de vierde pas moet de bal in het spel worden gebracht (regel 12). Dient om de snelheid van het spel te bevorderen en tijdrekken te voorkomen.
Viertje. Juniorenbal.
4?2?4 systeem. Spelsysteem met een teamopstelling van vier verdedigers, twee middenveldspelers en vier aanvallers. Aanvallend, beweeglijk en elastisch systeem. Door snel opkomende ® vleugelspelers kan de numeriek verminderde aanvalskracht (vier in plaats van vijf aanvallers) worden gecompenseerd.
4-4-2 systeem. Defensief spelsysteem met een teamopstelling van vier verdedigers, vier middenveldspelers en twee aanvallers.
Vijfje. Bal voor senioren en veteranen.
VIP. Very Important Person. Zeer belangrijk persoon, of iemand die daar graag voor door wil gaan. Zie Business seat en Sky-box.
Vissen. De bal uit het net halen nadat er een doelpunt is gescoord. `Van der Sar mag gaan vissen.'
Vlaggenist. Denigrerende benaming voor ® grensrechter.
Vleugelspeler. Elk der buitenste voorhoedespelers (linksbuiten of rechtsbuiten).
Vleugelverdediger. Elk der buitenste verdedigers.
Vliegende keep. (Uitdrukking uit het straatvoetbal.) Doelverdediger die niet permanent in het doel blijft staan, zelf meevoetbalt. Een vliegende keep die vaak scoort zal al snel niet meer in het doel staan, want op straat worden de slechtste voetballers vaak in het doel gezet.
Vliegende schaar. Ook: flying tackle. Een soort schaarbeweging in de lucht. Kan nog wel eens als gevaarlijk spel worden afgefloten.
Vliegend schot. Hoog, diagonaal schot op het doel.
Vlo. Bijnaam van Jimmy Johnstone (Celtic).
Voeden. De aanvallers van speelklare ballen voorzien. Taak van de middenvelders. `Het offensief moet voortdurend worden gevoed.'
Voetbal. 1. Lederen bal met een omtrek tussen 68,6 en 71,1 cm en een gewicht tussen 396 en 453 gram. De spelregels kennen geen enkel voorschrift over de kleur van de bal. 2. Balspel gespeeld door twee teams van elk niet meer dan elf spelers, waarvan één als doelman optreedt. Staat sinds 1900 op het programma van de Olympische Spelen. Voetbalpasje. Soort persoonsbewijs. Zie Pasjesregeling.
Voetbalvandalisme. Agressief gedrag en vernielingen voor, tijdens en na voetbalwedstrijden, binnen en buiten de stadions. Komt vooral voor bij jeugdige fans die zich op de heen- en terugreis in groepen bewegen.
Voetbalveld. Veld met een lengte van 90 tot 120 meter (internationaal 100 tot 110 meter) en een breedte van 45 tot 90 meter (internationaal 64 tot 75 meter), dat door een middenlijn in twee gelijke helften is verdeeld.
Volley. Het terugspelen van de bal voordat hij de grond heeft geraakt.
Voordeelregel. Spelregel die zegt dat de scheidsrechter niet moet straffen in gevallen waarin hij ervan overtuigd is dat - door te straffen - de overtredende partij bevoordeeld wordt.
Voorhoede. De veldspelers die de aanval vormen, d.w.z. zich positioneel voor de middenlinie bevinden en qua functie vooral het doel van de vijand moeten bestoken.
Voorstopper. Centrale verdediger. Soort ® ausputzer in het ® 4-2-4 systeem en het ® 4-3-3 systeem, die de centrumspits van de tegenpartij afdekt of zich voor de laatste verdedigingslijn heen en weer beweegt en gaten stopt.
Voorzet. Pass vanaf de zijkant van het veld, tot voor het doel, in het strafschopgebied. De voorzet is bedoeld voor een medespeler, zodat die kan scoren of de bal kan spelen.
Vriendschappelijke wedstrijd. In principe elke officiële voetbalwedstrijd die geen competitie? of bekerwedstrijd is. Meestal een oefenwedstrijd bij kunstlicht.
Vrije schop. Strafmaatregel. Soort aftrap waarbij de spelers van de overtredende partij zich op tenminste 9,15 meter afstand moeten bevinden op het moment dat de vrije trap wordt genomen. Zie ook Directe vrije schop en Indirecte vrije schop.
Vrije verdediger. ® Ausputzer.
Vrijlopen. Dat doet een speler wiens ploeg in balbezit is, wanneer hij tracht zich aan de mandekking van een tegenstander te onttrekken.
Vuurpijl. Zeer hoog, steil schot. Eigenlijk een `noodtrap', die bij ® paniekvoetbal hoort.
VVCS. Vereniging Voor Contract Spelers. Vakvereniging voor de spelers van het Nederlands betaald voetbal, opgericht in 1961.
VVON. Vereniging Van Oefenmeesters in Nederland. Zie ook CBV.
W
Waterdrager. Veldspeler die optreedt als hulpje van de ® klassebakken op het veld.
Wave (e). Ook: Mexican wave. Hierbij gaat er als het ware een `golf' door de zittribunes, omdat mensen in verticale rijen om beurten opstaan. De wave is aan het eind van de jaren zeventig ontstaan in de Verenigde Staten, waar supporters van het college football ermee experimenteerden. Wat het Guinness Book of Records ook beweert: op donderdag 15 oktober 1981 was de wave voor het eerst te zien op de televisie, tijdens een wedstrijd tussen Oakland en de New York Yankees, die door NBC werd uitgezonden. Vanaf dat moment was er geen houden meer aan en probeerden fans van allerlei sporten de wave uit. In 1985 had het fenomeen de Amerikaanse grenzen overschreden, en op het WK in Mexico van 1986 werd het pas echt populair.
Wei. Voetbalveld.
Weltmeister (d). Bijnaam van Ernst Happel.
Wereldbeker. De inzet van de wedstrijd die wordt gespeeld tussen de winnaar van de Copa Libertador de America en de winnaar van de Europa Cup I. Een land dat de cup driemaal wint, mag de wisselbeker houden.
Wereldbeker landenploegen. ® Jules Rimet-beker.
Werkvoetbal. ® Lange halen gauw thuis.
Wild voetbal. Ongeorganiseerd, inofficieel voetbal, buiten de voetbalbond om, in een `wilde' bond die niet als enige nationale organisatie door de ® UEFA dan wel de ® FIFA is erkend.
Wing (e). Vleugel.
Winkelhaak. ® Kruising.
Winterstop. Periode rond Kerstmis en nieuwjaar, waarin er niet wordt gevoetbald.
Wippertje. 1. Middelhoge pass. 2. Kunstig, listig schotje, waarbij de stilliggende bal van onderen wordt opgetild met de punt van de schoen. Uitgevonden door Willie Carr en Ernie Hunt (Coventry City).
Wissel. Het vervangen van een speler, niet alleen wegens blessures, maar ook om tactische redenen. Meestal zijn per wedstrijd per team drie wissels toegestaan (regel 3).
Witlof. Speler met blond haar, bijvoorbeeld Ron van den Berg (Sparta).
Witte stip. ® Stip.
Witte Socrates. Bijnaam van Arnold Scholten (Den Bosch, Feyenoord, Ajax).
WM-systeem. ® Stopperspilsysteem.
WK. Wereldkampioenschap voor landenteams.
Z
Zakkie blauw. Bloeduitstorting.
Zaterdagamateur. Amateurvoetballer die alleen op zaterdag wedstrijden speelt, doorgaans om religieuze redenen.
Zeikerdje. Speler die zich na de wedstrijd niet al te positief uitlaat over zijn trainer of medespelers.
Zestien. `Oorlog in de zestien maken' = voor onrust zorgen voor het doel van de tegenpartij.
Zestienmeterlijn. ® Baklijn.
Zestienmetergebied. ® Strafschopgebied.
Ziekenhuisbal. Ook: fifty-fifty ball. Zeer slecht aangespeelde bal. ® Pass naar een medespeler die de bal slechts met gevaar voor beenbreuk kan bereiken, omdat de tegenspeler te dichtbij is. Je kunt er bij en je kunt er ook net niet bij.
Zijlijn. Elk der twee lange lijnen van het speelveld. Ze mogen niet meer dan 120 meter en niet minder dan 90 meter bedragen. Bij internationale wedstrijden zijn de marges smaller: 110/100 meter.
Zijnet. De buitenkant van het doelnet aan de beide zijkanten van het doel.
Zitvoetbal. Trainingsspelletje waarbij de bal zittend moet worden gespeeld.
Zonnebril. ® Brilstand na een fantastische wedstrijd.
Zuivere speeltijd. Hierbij wordt bij elke spelonderbreking, zolang de bal niet terug in het spel is, de klok stopgezet. Wordt onder meer gebezigd bij ijshockey. Ook in de voetbalsport gaan steeds meer geluiden op om de zuivere speeltijd in te voeren.
Zomeravondvoetbal. Ontspannen manier van voetballen, zonder veel inzet en strijd. Vindt vaak plaats aan het eind van een competitie, wanneer er niets meer op het spel staat.
Zonedekking. Spelsysteem waarbij elke verdediger een deel van de verdediging voor zijn rekening neemt.
Zuivere speeltijd. De tijd waarin de bal in het spel is. Bij spelonderbreking wordt de klok stilgezet.
Zwerver. Veldspeler die overal op het veld actief is, onafhankelijk van zijn positie, bijvoorbeeld een spits die zich van voren naar achteren en omgekeerd beweegt om de eigen keeper te assisteren, mee te verdedigen en dan plotseling weer voor het doel van de tegenpartij op te duiken.
Zwarte Gazelle. Bijnaam van Ruud Gullit (Chelsea).
Zwarte Panter. 1. Bijnaam van Frans de Munck, ex-doelman van het Nederlands elftal. 2. Bijnaam van Stanley Menzo.
Zweefduikkopbal. ® Kopbal waarbij bal en speler door de lucht zweven.
Zweven. ® Hangen.
|
Vijftalige woordenlijst
|
Nederlands
|
Engels
|
Frans
|
Duits
|
Italiaans
|
|
Aangeschoten
hands
|
Unintentional
hand-ball
|
Faute
de main involontaire
|
Unbeabsichtiges
Handspiel
|
Fallo
di mani involontario
|
|
Aanvaller
|
Forward
|
Attaquant
|
Stürmer
|
Assalitore
|
|
Doel
|
Goal
|
But
|
Tor
|
Porta
|
|
Doelman
|
Keeper
|
Gardien
de but
|
Torwart
|
Portiere
|
|
Doelpunt
|
Goal
|
But
|
Tor
|
Rete
|
|
Goal!
|
Goal!
|
But!
|
Tor!
|
Goal!
|
|
Gele
kaart
|
Yellow
card
|
Carton
jaune
|
Gelbe
Karte
|
Carta
giallo
|
|
Gelijkspel
|
Draw
|
Match
nul
|
Unentschieden
|
Pareggio
|
|
Grensrechter
|
Linesman
|
Juge
de ligne
|
Linienrichter
|
Guardalinee
|
|
Libero
|
Sweeper
|
Libero | Libero | Libero |
|
Rode
kaart
|
Red
card
|
Carton
rouge
|
Rote
Karte
|
Carta
Rosso
|
|
Rust
|
Halftime
|
Mi-temps
|
Halbzeit
|
Mezzo
tempo
|
|
Scheidsrechter
|
Referee
|
Arbitre
|
Schiedsrichter
|
Arbitro
|
|
Thuiswedstrijd
|
Home
game
|
Match
à domicile
|
Heimspiel
|
Partita
in casa
|
|
Tribune
|
Grandstand
|
Tribune
|
Tribüne
|
Tribuna
|
|
Uitwedstrijd
|
Away
game
|
Match
à l'exterieur
|
Auswärtsspiel
|
Partita
di fuori
|
|
Veld
|
Pitch
|
Terrain
|
Spielplatz
|
Campo
|
|
Verdediger
|
Defender
|
Defenseur
|
Verteidiger
|
Difensore
|
|
Verliezen
|
To
lose
|
Perdre
|
Verlieren
|
Perdere
|
|
Voetbal
(bal)
|
Ball
|
Ballon
|
Ball
|
Pallone
|
|
Voetbal
(spel)
|
Football
|
Football
|
Fussball
|
Calciatore
|
|
Voetballer
|
Calciatore
|
Footballeur
|
Fussballspieler
|
Football
|
|
Waarschuwing
|
Warning
|
Avertissement
|
Warnung
|
Avvertimento
|
|
Wedstrijd
|
Game
|
Match
|
Spiel
|
Partita
|
|
Winnen
|
To
win
|
Gagner
|
Gewinnen
|
Vincere
|
| ©Copyrights Jaap van der Wijk | ©Copyrights Jack Vanderwyk | ©Les droits d'auteur Jack Vanderwyk | ©Urheberrechte Jack Vanderwyk | ©Copyrights Jack Vanderwyk |
Belangrijkste bronnen
-René Appel, Voetbaltaal, 's Gravenhage 1990.
-Frans Duivis, Prisma Vakwoordenboek Sport, Utrecht 1994.
-Falken, Fussball - Wissenswertes von A-Z, Niederhausen 1996.
-Karl-Heinz Huba, Fussball Weltgeschichte, München 1994.
-Kosmos Sport, Spelregels voetbal, Utrecht 1994.
-Marc de Koster, Woordenboek van jargon en slang, Amsterdam 1992.
-Rob Siekmann, Het voetbalwoordenboek, Hazerswoude-dorp ± 1990.