
|
Enkele
richtlijnen voor de gebruiker: geen jargon is zo dynamisch als dat van
de financiële markten. Voor de particuliere belegger, de geïnteresseerde
in de binnenlandse en buitenlandse economie, en degene die nu eindelijk
wel eens wil weten wat er nu écht in de economische katern van de
zaterdagse krant staat, is een woordenboek als dit bijna een must. Bij
het samenstellen van dit boek ben ik ervan uitgegaan dat u nieuwsgierig
bent en meer inzicht wilt krijgen in een jargon dat u tot nu toe vaag,
of helemaal niet kende. Ik heb me dan ook niet beperkt tot het sec verklaren
van bepaalde begrippen, maar heb een verwijzingssysteem toegepast dat het
u mogelijk maakt uw kennis stap voor stap uit te breiden. Bij voorbeeld:
Berenmarkt geeft niet alleen de betekenis van het woord, maar verwijst
ook naar het "tegengestelde" begrip stierenmarkt. En bij blue
chips vindt u behalve de herkomst van het woord ook verwijzingen naar
vergelijkbare wetenswaardigheden. Stop-loss order verwijst bij voorbeeld
naar andersoortige orders. Al bladerend en lezend zult u van de ene verwijzing
bij de andere terecht komen en voor u het weet kunt u een aardig mondje
beursjargon meepraten. Maar
nogmaals, niets is zo veranderlijk en dynamisch als het beursjargon. Er
komen dagelijks nieuwe begrippen bij en het wáren er al zo veel.
Dit boekje kan dus niet volledig zijn, en ik heb daarom getracht een selectie
te maken van de meest gebruikte en meest moderne begrippen, zowel uit het
Nederlandstalige als uit het Engelstalige gebied. De
volgende heren wil ik hartelijk bedanken voor hun deskundige adviezen:
R.E. Posthumus Meyjes (Crédit Lyonnais te Zutphen) en E.H. Schmidt
(Pierson, Heldring & Pierson N.V. te Amsterdam). Meindert M.M. Leloux
(Merrill Lynch N.V. te Amsterdam) bedank ik met name voor de Amerikaanse
tips. Moge
de inhoud van dit woordenboek u tot gemak dienen en nog meer wijsheid schenken
dan er ongetwijfeld al was. Jaap
van der Wijk Amsterdam,
1991. A AAAA,AA,A: Aandeel:
bewijsstuk dat door een vennootschap wordt uitgegeven ten bewijze dat de
houder deelneemt in het maatschappelijk kapitaal van de onderneming. Aandelen
mogen in Nederland niet beneden Aandeelbewijs:
aandeel in de betekenis dat men Aandeel
op naam: bewijs van deelname in het aandelenkapitaal van een onderneming,
dat is voorzien van de naam van de Aandeelhouder:
bezitter van een bewijs van deelname in het aandelenkapitaal van een onderneming. Aandeelhoudersvergadering: Aandelenfusie:
overdracht van de aandelen van de samenwerkingspartners aan één
der partners of aan een nieuw op te richten onderneming (Stock owning trust). Aandelenoptie:
het verhandelbaar recht om aandelen te kopen of te verkopen. Aandelenregister:
door het bestuur van een vennootschap gehouden register van houders van
aandelen op naam met vermelding van de daarop gestorte bedragen. In de
V.S., Groot-Brittannië en Japan register waarin elke transactie met
aandelen wordt bijgewerkt omdat de Aandelensplitsing:
bij voorbeeld één aandeel van € 10 splitsen in twee van €
5,-, met als doel meer (kleine) beleggers aan te trekken. Aandelenvermogen,
ongeplaatst: aandelen die nog niet geëmitteerd zijn. Ook wel
"aandelen in portefeuille" genoemd. Aan
jou: verkopen. Bij voorbeeld: "Duizend flippen aan jou" betekent:
"Ik verkoop jou duizend aandelen Philips." Achtergesteld:
later voor uitbetaling in aanmerking komend dan de vorderingen van andere
schuldeisers. Actieve
fondsen: fondsen waarin tijdens de beursdag doorlopend handel wordt
gedreven. Activa:
bezittingen en vorderingen van een onderneming, voorkomend op de debetzijde
van de balans. Advieskoers:
is altijd vrijblijvend. Wordt gebruikt als hulpmiddel bij aan- en verkoop. Afbrokkelend: Affaire:
transactie. Een "foute affaire" is vaak een verliesgevende transactie,
maar dit is geen must. Agio:
bedrag dat een waardepapier meer waard is dan de daarop uitgedrukte Agiobonus:
ten laste van de Agioreserve:
wordt gevormd door storting van contanten ter verkrijging van nieuwe aandelen
tegen een hogere koers dan de nominale. AIBD:
Association of International Bond Dealers. In Zwitserland gevestigde vereniging,
waarvan de leden zich bezighouden met de uitgifte en handel van euroleningen.
Praktisch alle belangrijke Europese banken en commissionairs zijn lid van
de vereniging. AIBOR:
Amsterdam Interbank Offered Rates. Het tarief waartegen de Nederlandse
banken deposito's in guldens of eurovaluta aanbieden aan andere binnenlandse
banken. AIM:
Amsterdams Interprofessioneel Marktsysteem. Systeem waarbij grote hoeveelheden
effecten (bij obligaties minimaal ¦
2,5 miljoen en bij aandelen minimaal ¦
1 miljoen) op nettobasis kunnen worden verhandeld, d.w.z. de provisie zit
in de koers verwerkt. Voordat de beursbelasting werd afgeschaft hielden
nogal wat partijen hun orders bewust uit het AIM om zodoende de beursbelasting
te kunnen omzeilen. Het systeem omvat ± 40 terminals, die ter beschikking
staan van leden en de à
la baisse: omlaag, speculerend op een koersdaling. à
la hausse: omhoog, speculerend op een koersstijging. Algemene
beursindexcijfer: berust op de prijzen van in totaal 54 fondsen:
5 internationale concerns, 27 uit de industrie, 4 uit de scheepvaart, 5
uit het bank- en verzekeringswezen en 13 uit de handel. Met behulp van
het algemene beursindexcijfer kan men in een oogopslag vaststellen of het
prijsniveau hoger of lager is dan dat van de vorige beursdag. Algemene
vergadering van aandeelhouders: elk jaar moet er een algemene vergadering
van aandeelhouders plaatshebben. De algemene vergadering is het hoogste
orgaan van de N.V. en B.V. Deze vergadering kan geen besluiten nemen die
ingaan tegen de wet, het doel van de vennootschap, de statutaire regelingen,
of die welke behoren tot de bevoegdheden van andere organen. De nietigheid
van een besluit kan ingeroepen worden door iedere aandeelhouder en iedere
derde-belanghebbende. In de vergadering moet het bestuur van de vennootschap
rekening en verantwoording afleggen voor het gevoerde beleid en moet de
jaarrekening worden goedgekeurd. All
time high: de hoogste notering op een bepaalde beurs tot nu toe. All
time low: de laagste notering op een bepaalde beurs tot nu toe. Ambulance
stock: uit Japan afkomstige uitdrukking. Wanneer men bezig is geld
te verliezen zal men er door deze aandelen, de ambulance stock, snel weer
bovenop komen. AMEX:
moderne benaming van de American Stock Exchange (ASE), één
van de drie effectenbeurzen van New York. Analist: Angel:
jargon voor obligatie met hoge waardering. Favoriet bij de Annuities:
Amerikaanse vorm van lijfrente. Annuïteit:
aflossingsmethode waarbij in het algemeen de rente + aflossing een constant
totaalbedrag vormen en de onderlinge verhouding wisselt. M.a.w.: het aflossingsbedrag
wordt steeds groter en het rentebedrag wordt steeds kleiner. Anticipatiekrediet:
door een bankier verstrekt krediet, vooruitlopend op een effectenemissie. AOT:
Amsterdam Option Traders. Arbitrage:
handel om te profiteren van koersverschillen tussen dezelfde fondsen op
verschillende beurzen. Arbitragant:
handelaar die zich bedient van ASAS-systeem:
Amsterdam Securities Account System. Met dit systeem kan in Amsterdam in
originele buitenlandse aandelen worden gehandeld, die dan ook niet in guldens
maar in de originele valuta per stuk worden genoteerd. ASE:
1.Ouderwetse benaming van de American Stock Exchange
in New York. Betere benaming is Asset
stripper: Britse benaming voor Auction
rate preferente aandelen: Aunt
Millie: Amerikaans jargon voor kleine, niet-professionele aandeelhouders.
Ook wel: Belgian dentist. In Londen: aunt Agatha. Austral:
munteenheid van Argentinië. AVA: Avondhandel:
op de Amsterdamse beurs mogelijk na 16.30 uur, gedurende de openingstijden
van de B
Baby
bond: Amerikaanse obligatie met een waarde van minder dan $ 1000. Baisse,
baissemarkt, baisseperiode: tijd van dalende koersen. Ook bear-market
of Baissegeluidjes:
pogingen van degenen die geld verdienen aan koersdalingen om de koers in
neerwaartse richting te beïnvloeden. Baissepositie:
situatie waarbij iemand de aandelen die hij heeft verkocht nog moet inkopen
en afleveren. Baissier:
iemand die speculeert op een koersdaling. Aandelen die nog niet "in huis"
zijn worden nu al verkocht in de hoop deze later, vóór de
afgesproken dag van levering, voor een lagere prijs te kunnen inkopen dan
ze zijn verkocht. Beanet: organisatie
die ervoor zorgt dat elektronische betalingen bij de banken terechtkomen. Bearish:
pessimistisch. Bear
market: Beeldschermenhandel: Begrotingstekort:
negatief verschil tussen uitgaven en inkomsten van de overheid. Beleggen:
overtollig geld gebruiken om investeringen mee te doen in bij voorbeeld
effecten, in de hoop een hogere opbrengst te krijgen dan bij "normaal"
gebruik, zoals sparen. Beleggingsanalist:
deskundige die ondernemingen, politieke situaties en economische ontwikkelingen
bestudeert en advies uitbrengt over de bestemming van gespaard of geleend
geld. Beleggingsfonds:
organisatie welke haar eigen of andermans spaargeld belegt. Beleggingsstrategie: Belening:
aandelen of obligaties tot zekerheid van een lening. Berekuil:
bodem van de markt, als de aandelenprijzen het laagste niveau hebben bereikt. Beren:
degenen die op een koersdaling speculeren. Ook: baissiers. Berenmarkt:
tijd van dalende koersen. Bestensorder:
order tot aan- en verkoop van effecten waarvoor de klant geen boven- of
ondergrens in de prijs heeft opgegeven; kopen of verkopen voor de best
mogelijke prijs, te beoordelen door de commissionair. Beter: Beurs:
markt. Plaats waar een markt wordt gehouden; waar vraag en aanbod samenkomen. Beursbestuur:
Vereniging voor de Effectenhandel te Amsterdam. De leden zijn de ±
140 commissionairs en Beurshausse:
langere periode van ononderbroken koersstijging. Beursindex:
koersgemiddelde van een aantal belangrijke aandelen. Beurskrach:
beurscrisis. Instorting van de koersen. Ook: crash. Beurslid:
lid van de Amsterdamse effectenbeurs. Degene die orders aanneemt van het
publiek (commissionair) en die de prijzen van de aandelen bepaalt (hoekman). Beursnotering:
prijslijst van stukken die op de beurs worden verhandeld, afgedrukt in
de Beurspaniek:
vertrouwenscrisis die tot groot aanbod van stukken en daardoor tot een
scherpe prijsdaling leidt. Beursstemmingen:
Afbrokkelend: iets naar beneden. Beter: koersen zijn een
fractie hoger. Bloedvast: stijgende koersen. Booming: stijgende
koersen. Dood: niets te doen. Flauw: alle koersen naar beneden.Gedrukt:
koersen dalen sterk. Lui: weinig handel. Prijshoudend: koersen
zijn stabiel. Vast: over een breed front stijgende koersen. Verdeeld:
markt zonder tendens, wat hogere en wat lagere koersen. Vriendelijk:
over een breed front betere koersen. Willig: koersen lopen sterk
op. Zeer flauw: sterke koersdaling. Zeer vast: over een breed
front sterk stijgende koersen. Beurswaarde:
de prijs waartegen alle gezamenlijke aandelen van een onderneming op een
bepaalde dag worden verhandeld. BIB:
Bank voor Internationale Betalingen. Bieden: Biedprijs:
geen notering, te veel vraag. Big
Board: benaming voor de New York Stock Exchange (NYSE). Belangrijkste
van de drie effectenbeurzen van New York. De andere twee zijn de Big
Five: a. De vijf grootste accountantsfirma's van de wereld.
De "top drie" van "the Big Five" zag er begin 1991 als volgt uit: 1.KPMG
(6300 partners, 77.000 personeelsleden, 800 kantoren in 123 landen); 2.Ernst
& Young (5600 partners, 73.000 personeelsleden); 3.DRT (4900 partners,
60.000 personeelsleden). b.
De vijf grootste effectenbanken van Japan: Nomura, Daiwa, Nikko, Yamaichi
en Kokusai. Bill
rate: tarief waartegen wissels in disconto worden genomen. Bills:
kortlopende Amerikaanse staatsobligaties; schatkistbiljetten en -promessen. Black
Monday: de zwarte dag uit de geschiedenis van Wall Street: 19 oktober
1987. De Blitzkrieg
tender offer: de Bloedvast: Bloot
eigendom: contract dat dient als grondslag voor het splitsen van
obligaties. Blue
chip: eersteklas aandeel, vaak van een BNG:
Bank voor Nederlandse Gemeenten. BNP:
bruto nationaal produkt. Bobbels,
bubbels: Bo
Derek Story: zeer betrouwbaar, stabiel fonds. Bo Derek speelde
in de film "10" een vrouw die een 10 kreeg voor haar fysieke aantrekkelijkheden. Bookie:
bookmaker. Boom:
explosieve koersontwikkeling op de beurs die betrekking heeft op de meeste
aandelen. Booming: Brent:
verzameling oliesoorten uit de Noordzee. Brent is een Broker:
effectenmakelaar, commissionair. Handelaar voor eigen rekening, in tegenstelling
tot Bulletlening:
lening waarbij de aflossing ineens moet worden betaald. Bullish:
de ene koersstijging genereert de andere. Bull-market: Bundesbank:
Duitse centrale bank. In New York ook "Buba" genoemd. Buy-and-hold:
kopen en behouden. Beleggingsstrategie zonder veel mutaties. Buyer's
market: markt waarop het aanbod groter is dan de vraag waardoor
de kopers tot op zekere hoogte de prijzen kunnen bepalen. C
CAC-index:
Cotation Assisté Continue-index. Index van 241 fondsen op de beurs
van Parijs. CAC
40-index: index van 40 hoogwaardige
fondsen op de beurs van Parijs. In tegenstelling tot de Call-optie:
het recht (niet de plicht) om gedurende een van tevoren afgesproken termijn
bepaalde effecten te kopen. Capital
gain tax: vermogensbelasting in de V.S. Er wordt belasting betaald
over koerswinsten, maar de koersverliezen zijn fiscaal aftrekbaar. In Nederland
niet doorgevoerd. Cashdividend:
winstuitkering aan de aandeelhouders in contant geld. Caveat
emptor: de koper zij op zijn hoede. Term die gebruikt wordt om
de koper op zijn eigen verantwoordelijkheid te wijzen. CBS-koersindex:
index van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Een gewogen samengesteld
beurskoersindexcijfer van 44 fondsen. Voor 01-05-1989 werd deze index de
"ANP/CBS-index algemeen" genoemd. CBS-stemmingsindex:
elke beursdag berekent men enkele malen een (ongewogen) koersindexcijfer
van de hoofdfondsen, met als basis de slotkoersen van 31 december van twee
jaar eerder. Bij voorbeeld: 31-12-1988 = 100 en 29-12-1990 = 107,0. Deze
index is geschikt voor vergelijkingen op korte termijn. CD:
Certificate of Deposits. Door de banken uitgegeven verhandelbaar termijndeposito
of kasgeldlening in de vorm van schuldbekentenis. De CEC:
Commodities Exchange Center te New York. Op deze beurzen worden o.a. koffie,
cacao en katoen verhandeld. Centrale
bank: staatsbank. Certificaat:
door de banken uitgegeven verhandelbare termijndeposito of kasgeldlening
in de vorm van schuldbekentenis. Certificate:
kortlopende Amerikaanse staatsobligatie; schatkistbiljet en -promesse. Certificering:
van CF-stukken:
effecten die niet aan cliënten kunnen worden overhandigd. Stukken
met het formaat van een ponskaart waarvan het Chart:
koersgrafiek. Chartist:
iemand die koersgrafieken maakt en (mede) daarop zijn koop- en verkoopbeslissingen
baseert. Chartreading:
kaartlezen; koersgrafieken interpreteren. Chinese
wall: duidt op de communicatiekloof tussen de afdeling merchant
banking en de handelsafdeling van een investeringsbank. CIF:
Cost Insurance Freight. Prijs van het produkt inclusief de kosten,
verzekering en transport tot in de haven van eindbestemming. Behorend tot
de leveringsvoorwaarden van de Claim:
voorkeurrecht bij uitgifte van nieuwe aandelen aan "oude" aandeelhouders
toegekend. Het coupon- of dividendnummer
geldt als bewijs van dit voorkeurrecht. Climatic
selling: een lange verkoophausse voordat er weer gekocht gaat worden. Closed-end
fonds: fonds dat geen eigen aandelen inkoopt, o.a. om de post COLA:
Cost Of Living Adjustments. Aanpassingen die plaatsvinden wanneer
de Amerikaanse levensstandaard zich heeft gewijzigd; op basis van de Commercial-paper
lening: ook: cp. Kortlopende obligatie met grote coupures, die
op disconto-basis wordt verkocht.
De winst bij aflossing is in feite de rentevergoeding. Cp's worden meestal
uitgegeven door niet-kredietinstellingen, zoals industriële ondernemingen,
maar sinds 1990 hebben ook overheidsinstellingen belangstelling voor de
leningen van particulieren. Na de provincie Zuid-Holland brengt nu ook
de provincie Groningen een cp-programma uit. Commercial
bank: in de V.S.: gewone bank, in tegenstelling tot investeringsbank
en spaarbank. Commissionair(sbedrijf):
persoon of organisatie die aan- en verkooporders van effecten uitvoert
in opdracht van een klant. Committent:
lastgever, opdrachtgever, commissiegever. Computerkoopprogramma:
betere benaming: computer koop-verkoopprogramma. Conglomeraat:
samensmelting van ongelijksoortige bedrijven (diversificatie). De reden
is vaak het kunnen uitoefenen van financiële macht en het kunnen spreiden
van risico's. Conjunctuur:
golfbeweging in de hoogte van het nationaal inkomen als gevolg van veranderende
vraagfactoren. Conjunctuurbarometer:
een statistisch instrument waarmee een omslag in de Connie
Lee: (obligatie van) de College Construction Loan Insurance Corporation. Consolidatie:
het samenvoegen van balansen van zogenaamde moeder- en dochterondernemingen,
ter versteviging van de machtspositie op de markt. Consortium:
tijdelijke samenwerkingsvorm tussen deelgenoten aan een project. Bij voorbeeld:
een aantal banken neemt (meestal tegen een lagere koers) een gehele Contant
dividend: Contingent:
het bedrag waarvoor de geldmarkt partijen in een driemaandelijkse periode
gemiddeld per dag een beroep kan doen op de Nederlandsche Bank (DNB) tegen Contraire
beweging: kenmerk van het koersverloop van aandelen. Als de prijzen
stijgen neemt de vraag af en het aanbod toe, en omgekeerd. Contrarian:
iemand die precies het tegenovergestelde doet van wat de grote stroom beleggers
doet. Controller:
bij (Amerikaanse) commissionairs en investeringsbanken de werknemer die
ervoor zorgt dat de financiële rapportage van het bedrijf en de klanten
wordt opgemaakt volgens de richtlijnen van de overheid. Conversie:
omwisseling van obligaties in aandelen. Converteerbaar:
om te zetten in iets anders. Converteerbare obligaties zijn leningen die
de houder desgewenst kan omzetten in aandelen. Corporate
pyramiding: verschijnsel waarbij bedrijven elkaars aandelen bezitten. Corporate
raider: Corporate:
bedrijfsobligatie, in tegenstelling tot staatsobligatie. Coupon:
rentebewijs bij obligaties. Couponblad:
een van de twee delen van een Couponrendement:
rente van een obligatie. Coupures:
onderdeel van een obligatielening. Er zijn coupures van verschillende bedragen.
Men streeft naar grotere coupures, d.w.z. hogere bedragen. Courtage:
het bedrag dat een bank of commissionair aan de hoekman betaalt. CP: CPB:
Centraal Planbureau. CPI:
Consumer Price Index. Maandelijks door de Amerikaanse regering gepubliceerde
prijsindex. Crash:
beurscrisis; instorting van de koersen. Ook: krach. Creatief
boekhouden: frauduleuze bedrijfsvoering. In Engeland: "fiddling
with the books"; in Amerika: "cooking the books". Credit
rating agency: beleggings-adviesbureau. Instellingen als de Amerikaanse
Standard & Poor's en Moody's Investors Services geven banken en bedrijven
in de V.S. punten voor hun kredietwaardigheid. Deze punten noemt men "ratings".
De hoogste rating van Standard & Poor's is AAA (triple A). AA, A en
BBB worden als relatief risicoloos beschouwd. Ratings van BB of lager zijn
risicovol. Crude:
ruwe olie. Cum:
aandeel waar de stock, claim, warrant, bonus, of het dividend nog aan zit. Current
ratio: de verhouding tussen de vlottende D
Dagorder:
aan- of verkooporder die alleen op een bepaalde dag geldig is. Daisy
chain: lett.: krans van madeliefjes. Groepje beleggers (of handelaren)
dat zich bezighoudt met schijnhandel om een nietsvermoedend persoon binnen
de "chain" te halen, die vervolgens wordt opgelicht. DAX:
Deutscher AktienindeX. Index van de beurs van Frankfurt. Dealing
room: afdeling waar men per telefoon valuta, obligaties en aandelen
verhandelt. Deep-discount
bond: obligatie met een rente beneden de marktrente en een uitgiftekoers
sterk beneden de Deep-in-the-money
(call-)optie: optie waarbij de uitoefenprijs duidelijk onder de
beurskoers ligt. Deflatie:
verhoging van de geldwaarde door vermindering van het aantal in omloop
zijnde bankbiljetten. Daling van het algemene prijsniveau. Dekken:
kopen van aandelen die men eerder heeft verkocht zonder ze in bezit te
hebben. Ook: short gaan. Delcredere:
risico van wanbetaling. Delta-hedging:
techniek om zich in te dekken. Als men call-opties op aandelen schrijft
en dus mogelijk verplicht is om later aandelen te verkopen, dan koopt men
in een eerder stadium al een deel van de betreffende aandelen. Als men
put-opties schrijft en dus mogelijk verplicht is tot aankoop van aandelen,
dan gaat men short, d.w.z. dat men aandelen verkoopt die men nog niet in
bezit heeft. Deport: Deposito:
het uitzetten van een som geld voor een van tevoren afgesproken termijn
en vergoeding. Depressie:
economische inzinking. Diffusie-indicator:
statistisch instrument waarmee men een groot aantal geselecteerde economische
gegevens meet die zich als tegenkracht van een Diffusiemethode: Disagio:
beneden Discontopercentage:
wanneer de particuliere banken door hun Discontolening:
lening die beneden Discount
rate: het tarief waartegen Amerikaanse banken bij de federatieve
banken voorschotten kunnen opnemen. Dividend:
winstaandeel. Dividendbelasting:
belasting op dividenduitkeringen door binnen Nederland gevestigde N.V.'s
en B.V.'s. De belasting (25%) is verschuldigd door de uitkerende vennootschap
en wordt op het dividend ingehouden als voorheffing op de inkomstenbelasting. Dividendbewijs:
vergoeding voor aandeelhouders op basis van hun aandelenbezit. Dividendrendement:
in overzichten de dividendraming over het vorig jaar als een percentage
van de slotkoers van een bepaalde week in het lopende jaar. Dividendvrijstelling:
heeft betrekking op de inkomstenbelasting. Van binnenlands dividend blijft
de eerste ¦
1000,- belastingvrij. Voor aangewezen participatiemaatschappijen geldt
een extra vrijstelling van ¦
1000,-. Voor gehuwde belastingplichtigen zijn deze vrijstellingen ¦
2000,-. DNB:
De Nederlandsche Bank. Dood: Doorlopende
order: een opdracht voor aan- of verkoop, geldend tot het moment
van herroepen. Geldt in de maand van opgave alsmede in de daarop volgende
maand. DOT:
Designated Order Turnaround. Computergestuurd orderverwerkingssysteem. Double
witching hour: uur waarop in New York twee optieseries aflopen,
hetgeen hectische toestanden veroorzaakt op de effectenbeurs. Dow
Jones: Dow Jones Industrial Average index. Ook: Dow. Index van
30 toonaangevende Amerikaanse industriële fondsen. Naast de Dow Jones
Industrial kennen we nog de Dow Jones Transport en de Dow Jones Utilities. Downgrading:
"degradatie" van een fonds. Het fonds wordt minder gewaardeerd dan voorheen. Drop-dead
day: in beleggerskringen gebruikt om de laatste dag aan te duiden
waarop een slechte ontwikkeling nog
ten goede kan worden gekeerd. Dual-currency
obligatie: deze lening kenmerkt zich door storting en rentebetaling
in eenzelfde valuta en aflossing in een andere valuta. Dubai:
een mengsel van oliesoorten uit het Midden-Oosten. Dubai is een Dubbele
sandwich: Durfkapitaal: Dynamic
hedging: Dynamiter:
medewerker van een
E
E
100: Euro Top 100-index. Index van de Amsterdamse optiebeurs van
100 belangrijke aandelen uit 9 Europese landen. ECD:
Economische Controledienst. Economische
groeicyclus: conjunctuurcyclus. Kenteringen op de arbeidsmarkt
worden geïnspireerd door veranderingen in de geldsfeer, in de prijzensfeer
en in de voorradensfeer. Gezamenlijk bepalen ze de richting van de economische
groeicyclus. Professionele beleggers reageren op signalen uit bovengenoemde
sferen en passen daar hun beleggingsgedrag aan aan. ECU:
European Currency Unit. Europese rekeneenheid. In 1978 gecreëerd en
gebaseerd op een gewogen gemiddelde van de valuta's van de volgende Europese
landen: Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Nederland,
België, Spanje, Denemarken, Ierland, Portugal, Griekenland en Luxemburg.
Er bestaan obligaties in deze kunstmatige geldsoort. Effecten:
algemene benaming voor waardepapieren die in verscheidene, onderling vervangbare
exemplaren zijn uitgegeven. Fondsen, obligaties, certificaten, aandelen,
enzovoort. Ook: stukken. Effectenhandelaar: Effectenmakelaar:
tussenpersoon in de effectenhandel. Effectief
rendement: de som van het couponrendement en het aflossingsresultaat.
Wordt ook "totaalrendement" genoemd. Effectieve
wisselkoers: de nominale effectieve wisselkoers van een valuta
wordt bepaald door weging van valutaveranderingen van handelspartners op
basis van bilaterale handelsgewichten. De reële effectieve wisselkoers
wordt verkregen door een met dezelfde gewichten gewogen correctie voor
inflatieverschillen. Een stijging van de reële index weerspiegelt
een verslechtering van de concurrentiepositie van het betrokken land. Eigen
vermogen: aandelenkapitaal plus reserves. Eigen geld van de onderneming,
in tegenstelling tot "vreemd geld" ofte wel: krediet. Elektronische
vloer: het rechtstreeks tegenover elkaar plaatsen van aan- en verkooporders
per computer. Ook: beeldschermenhandel. Emissie:
uitgave van effecten, waarbij de gelegenheid wordt geboden om daarop in
te schrijven. Emissiebank:
bank die de uitgegeven aandelen of obligaties overneemt (koopt) van de
onderneming en deze vervolgens zelf probeert kwijt te raken. In Nederland
zijn de gewone handelsbanken tevens emissiebank. Emissieprospectus:
een door de Emittent:
de onderneming die aandelen of obligaties uitgeeft. Emitteren:
het uitgeven van aandelen of obligaties. Ook: schrijven. EMS:
Europees Monetair Systeem. Krachtens afspraken tussen de centrale banken
die deelnemen aan het EMS-interventiemechanisme kan het verschil tussen
de sterkste en de zwakste EMS-valuta op één moment maximaal
2¼% bedragen. In de tijd is er dus ten hoogste een afwijking van
4½% mogelijk. Alleen voor de Spaanse peseta geldt een bredere band
van 6% boven of onder zijn eigen EMU:
Economische en Monetaire Unie. EOE:
European Options Exchange. Amsterdamse optiebeurs. Eerste optiebeurs van
Europa, die eind 1990 haar koperen jubileum vierde. De EOE-index is gebaseerd
op de koersen van 20 Nederlandse organisaties. Eurobond:
lening uitgegeven door ondernemingen of instellingen gevestigd in een ander
land dan het land van de valuta waarin de lening luidt. Ook: Eurolening. Eurofed:
de Europese centrale bank. Europese
Commissie: dagelijks bestuur van de Europese Gemeenschap (EG). EVA-landen:
de zes landen die behoren tot de Europese Vrijhandels Associatie: Finland,
IJsland, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland. Ex:
aandeel waar de stock, claim, warrant, bonus of het dividend al af is.
F
Falcon:
Fixed term Agreement for Long Call Option On existing securities. Fallen
Angel: hoogwaardige obligatie die door een Fannie
Mae: (hypotheekobligatie van de) Federal National Mortgage Association.
De hypotheekobligaties worden "dwarf pools" genoemd omdat ze met een looptijd
van 15 jaar en een gemiddelde "leeftijd" van 7 jaar, korter lopen dan de
normale hypotheken, die een looptijd van 30 jaar en een gemiddelde "leeftijd"
(d.w.z. de periode waarbinnen ze worden afgelost) van 12 jaar hebben. De
pools zijn samengestelde hypotheken met een totaalwaarde van ten minste
$ 1 miljoen. Fascon:
Fixed term Agreement for Short term Call Options On existing securities. FAZ-index:
Frankfurter Allgemeine Zeitung-index; gebaseerd op de koersen van 100 Duitse
hoofdfondsen. FDIC:
Federal Deposit Insurance Corporation. Door de Amerikaanse
overheid opgerichte kredietverzekeraar voor het bankwezen. FED:
Federal Reserve Bank; het stelsel van centrale banken in de V.S. Federal
funds: kortlopende dagelijks opvraagbare leningen van $ 1 miljoen
of meer die Amerikaanse commercial banks elkaar onderling verstrekken. FIBOR:
Frankfurt Interbank Offered Rates. Het tarief waartegen Duitse banken deposito's
of Eurovaluta aanbieden aan andere binnenlandse banken. Financial
engineering: geld verdienen door deelname
aan ingewikkelde en omvangrijke financieringsprojecten. Financieel
entrepeneur: De financieel entrepeneur zoekt naar speelruimte en
nieuwe mogelijkheden en middelen om geld te verdienen. Financial
Times-indexen: Fixing:
middenkoers, die elke beursdag om ± 14.00 uur wordt vastgesteld. Flauw: Flippen:
aandelen Philips (beursjargon). Floor
broker: commissionair op de optiebeurs. FMA:
Financial Modernisation Act. Wet van 1987 die het mogelijk maakt dat commercial
banks in de V.S. via aparte dochters actief worden op de effectenmarkt. FOB:
Free On Board. Prijs van het produkt plus de kosten van transport tot aan
boord van het schip in de haven van inscheping. Behorend tot de leveringsvoorwaarden
van de termijnmarkt van goederen en grondstoffen. Fonds:
kapitaal dat d.m.v. aandelenemissies voor een bepaald doel is samengebracht.
Op de Amsterdamse effectenbeurs kunnen er dagelijks in 82 hoeken ±
2000 fondsen worden verhandeld. Zo noemt men Koninklijke Olie een "oliefonds",
Heineken een "bierfonds", Saatchi & Saatchi een "reclamefonds", Robeco
een "beleggersfonds", enzovoort. Footsie: Freddie
Mac: (hypotheekobligatie van de) Federal Home Loan Mortgage Corporation.
De obligaties worden in verband met hun korte looptijd (15 jaar) ook wel
"gnomes" genoemd. FRN's:
Floating Rate Notes. Ook: floaters. Obligaties met een variabele rente.
De debiteur verplicht zich om de rente van de lening na bepaalde tijdstippen
aan te passen aan de heersende rente op de geldmarkt. Front
running: wanneer een FT
100-index: Financial Times-index van 100 fondsen. Beursbarometer van
Londen. Ook: footsie. FT
500-index: Financial Times-index van 500 fondsen. FT-SE
Eurotrack 100: door de Londense effectenbeurs ontworpen aandelenindex
van honderd grote Europese ondernemingen buiten Groot-Brittannië.
De aandelen zijn allen genoteerd op de beurs van Londen. De nieuwe index
is gecreëerd naar het voorbeeld van de FTA:
Financiële Termijnmarkt Amsterdam. Fundamenteel
analist: iemand die jaarverslagen en dergelijke van een onderneming
onderzoekt om de waarde van de onderneming te kunnen bepalen. Fundmanager:
iemand die de effectenportefeuille van een grote belegger beheert. Futures:
termijncontracten; toekomstcontracten.
GATT:
General Agreement on Tariffs and Trade. Algemene
Overeenkomst inzake Tarieven en Handel; forum voor internationale handelsvraagstukken. Gedaan
en bieden: als er GB (gedaan en bieden) achter een koers staat,
krijgt men een gedeeltelijke uitvoering bij aankoop. Er is te veel vraag
en te weinig aanbod. Gedaan
en laten: staat er GL (gedaan en laten) achter een koers, dan krijgt
men een gedeeltelijke uitvoering bij verkoop. Er is te veel aanbod en te
weinig vraag. Gedrukt: Geldmarkt:
hierop wordt het korte-termijnkrediet verhandeld. Deze kredieten hebben
over het algemeen een looptijd tot 1 jaar. De vragers zijn niet alleen
de ondernemingen, maar ook de overheid en de gezinshuishoudingen. Gelimiteerde
order: een door de klant opgegeven prijs waarboven niet mag worden
gekocht, of waaronder niet mag worden verkocht. Gestort
kapitaal: bedrag dat een aandeelhouder bij de aanvang van een N.V.
of B.V. op een aandeel stort. Bij oprichting moet ten minste 10% op ieder
aandeel zijn gestort. Bovendien moet het gestorte kapitaal ten minste het
wettelijk voorgeschreven minimumkapitaal bedragen. Gilt-edged:
uitdrukking om aan te geven dat een bepaalde obligatie keer op keer haar
betrouwbaarheid heeft bewezen. Ginnie
Mae: (hypotheekobligatie van de) Government National Mortgage Association. Glass
Steagall Act: Amerikaanse federale wet die het commercial banks
verbiedt zich in te laten met de effectenhandel. De wet heeft echter nogal
wat mazen. Gnomes: Goodbye
kiss: wanneer een Govy:
government bond; Amerikaanse staatsobligatie. Greenback:
(Amerikaanse) dollar. Groeifonds:
onderneming waarvan een sterke groei wordt verwacht. GTC:
Good till cancelled. Amerikaanse uitdrukking voor Guichet-emissie:
de bank of Gun
jumping: het aankopen van effecten op basis van voorkennis. H
Halfkaal
schrijven: een Handel
met voorkennis: gebruik maken van vertrouwelijke informatie waarover
men uit hoofde van zijn beroep/functie beschikt, om zich ten koste van
anderen te verrijken op de beurs. Strafbaar. Hausse,
haussemarkt, hausseperiode: langere tijd van koersstijgingen. Ook
bull-market, of stierenmarkt. Haussestemming:
groot optimisme. Haussier:
iemand die speculeert op een koersstijging. Headhunter:
"koppensneller". Iemand die er zijn beroep van maakt personen te zoeken
voor topfuncties. Hedging:
het beperken van prijsrisico's via termijntransacties. Hefboomeffect:
het verschijnsel dat het verschil tussen de rentabiliteit van het totaalvermogen
en de rentabiliteit van het vast rentend vermogen ten goede of ten laste
komt van de Hele
lening: lening die rechtstreeks aan de gebruiker wordt verstrekt,
in tegenstelling tot obligatie. Maakt geen deel uit van een Herplaatser:
iemand die op zijn beurt een deel van een Hoek:
gedeelte van de beurs dat is toegewezen aan de handel in bepaalde fondsen,
bij voorbeeld de "oliehoek". Op de Amsterdamse effectenbeurs zijn in totaal
82 hoeken voor de circa 2000 fondsen die dagelijks op de beurs kunnen worden
verhandeld. Alle genoteerde fondsen hebben een vaste plaats van verhandeling,
hun hoek. Hoekman(sbedrijf):
lid van de Amsterdamse effectenbeurs die de prijzen van de aandelen bepaalt.
Na de overname van Arend & Co werd het hoekmansbedrijf Van der Moolen
Holding per 1 januari 1991 het grootste hoekmansbedrijf op de Amsterdamse
effectenbeurs. Holding
company: een bedrijf dat andere bedrijven onder controle heeft
omdat het 50% of meer van de aandelen van die bedrijven in bezit heeft. Hoofdfonds: Hoogconjunctuur:
gunstige toestand in handel en bedrijf. Bestedingen nemen toe, de effectieve
vraag wordt groter. HOS:
Handel Ondersteunend Systeem. Intern net van de Amsterdamse effectenbeurs.
IEA:
Internationaal Energie Agentschap te Parijs. Organisatie waarin 21 westerse
landen verenigd zijn. IMF:
Internationale Monetaire Fonds. In 1947 opgericht door de Verenigde Naties
om internationale samenwerking op financieel gebied te bewerkstelligen.
Het hoofdkantoor van het IMF is gevestigd te Washington (V.S.). Incentives:
1. Een extraatje voor de institutionele belegger dat deze verwerft bij
de verstrekking van een onderhandse lening aan een geldnemer die er anders
niet in zou zijn geslaagd zijn behoeften op de juiste wijze te dekken.
2. Aandelen met gunstige secundaire voorwaarden. Als aandeelhouder in een
Britse elektriciteitsmaatschappij kan men bij voorbeeld tegen gereduceerd
tarief elektriciteit afnemen. Incourante
effecten: effecten die niet op de beurs worden verhandeld. In
de wind: speculeren op een koersdaling door stukken te verkopen
die men nog niet heeft, in de hoop deze tegen leveringstijd goedkoper te
kunnen inkopen. Ook: short gaan. Index:
koersgemiddelde van een aantal fondsen. Enkele belangrijke indexen zijn:
CBS-koersindex, CBS-stemmingsindex (Amsterdam); Nikkei (Tokio); DAX (Frankfurt);
Agefi, CAC-40 (Parijs); FT 100, FT 500 (Londen); EOE-aandelenindex (Amsterdam);
Dow Jones, Standard & Poor's, Moody's, NYSE (New York). Minder belangrijk
zijn: Banca Commerciale (Milaan); Crédit Suisse, Swiss Market (Zwitserland);
All Ordinary Index (Sydney); CLBN-index parallelmarkt (Amsterdam). Indexarbitrage:
vorm van Indexlening: Indexobligatie:
deze obligatie heeft een rente-uitkering en/of aflossing die gebaseerd
is op de ontwikkeling van een bepaald indexcijfer. De hoofdsom en/of rente
kan dus periodiek worden aangepast aan de inflatie. Index
of leading indicators: barometer voor de Amerikaanse economie. Inflatie:
geldontwaarding. Het verschijnsel dat men met een bepaald geldbedrag minder
kan kopen dan voorheen. Inflatoire
druk: druk veroorzaakt door een Inkomstenobligatie:
obligatie waarvan de rentebetaling volledig afhankelijk is van de bedrijfsresultaten.
Meestal worden deze obligaties uitgegeven na een financiële reorganisatie
van een onderneming. In
portefeuille: effecten die men nog niet heeft geëmitteerd,
dus nog in eigen bezit heeft. Inschrijver:
partij die geïnteresseerd is in een Insider
trading: Institutionele
belegger: meestal een spaarbank, verzekeringsmaatschappij of pensioenfonds.
In Amerika iedereen die $ 100 miljoen of meer te beleggen heeft. Integrale
beleggingscyclus: beleggingsstrategie waarbij de belegger zich
niet beperkt tot één beleggingsvorm, maar alle beleggingsmarkten
tot zijn terrein rekent. Op deze wijze maakt hij optimaal gebruik van de
wisselende kansen die de beleggingsmarkten in de loop van de Interbancaire
Eurodeposito: Interdealer
broker Interimdividend:
tussentijdse winstuitkering. International:
onderneming die op internationale markten actief is, bij voorbeeld Akzo,
Hoogovens, KLM, en Philips. In
the money-optie: Intrinsieke
waarde: theoretische waarde van een aandeel, gebaseerd op de waarde
van de bezittingen van een onderneming minus haar schulden. Investment
bank: IOPO:
Interest Only/Principle Only. Obligatie die gesplitst is in een zogenaamd
manteldeel en coupondeel, deze zijn afzonderlijk verhandelbaar. IPE:
International Petroleum Exchange. Olietermijnmarkt te Londen.
Joint
venture: gemeenschappelijke onderneming. Project van meerdere organisaties
die zich daartoe hebben verenigd in een afzonderlijke organisatie. Junk
bond: hoogrentende, risicovolle obligatie. Wordt zo genoemd omdat
de kwaliteit beneden de waarderingsstandaard voor obligaties van de credit
rating agency's ligt, dat wil zeggen lager worden gewaardeerd dan BB.
Kapitaalmarkt:
markt waar het langlopend krediet wordt verhandeld. De banken zijn hier
zowel aanbieder als vrager. De Kapitaalobligatie:
deze obligaties worden veelal uitgegeven door banken, omdat De Nederlandsche
Bank bereid is de obligaties als bedrijfseconomische buffer te beschouwen.
De obligatiehouders worden pas betaald nadat aan alle andere verplichtingen
is voldaan. Kapitaalrendement:
winst plus rente gedeeld door het geïnvesteerde vermogen. Kapitaalvlucht:
het opnemen van de tegoeden op de bank, dit geld over de grens brengen
en daar storten op een buitenlandse bank. Kapitalisme:
stelsel waarbij de produktiemiddelen in bezit zijn van het particuliere
kapitaal, dat daardoor een overheersende maatschappelijke positie inneemt. Kasreserverekeningen:
methode van De Nederlandsche Bank om de Kettingverkoop:
elkaar snel opvolgende koop- en verkooptransacties. Koers:
de verkeerswaarde van een effect, bij voorbeeld de marktrente ten opzichte
van de opbrengstvergoeding, of de Koersreactie:
prijsdaling die optreedt na een periode van koersstijging. Vaak als gevolg
van het verkopen van Koers-dividendverhouding:
prijs van een aandeel, gedeeld door de winst die erop is uitgekeerd. Koersfluctuaties:
het op en neer gaan van de koersen. Koers-winstverhouding:
prijs van een aandeel, gedeeld door de nettowinst van de onderneming, of
die nu is uitgekeerd of niet. Ook wel: de slotkoers van een week gedeeld
door de winstraming over het lopende jaar. Kort
gaan: het verkopen van stukken die men nog niet in bezit heeft.
Ook: short gaan. Kort
vermogen (vreemd): lening met een looptijd tot tien jaar. Krach:
beurscrisis. Instorting van de koersen. Ook: crash. Kriegsglück:
lett.: oorlogsgeluk. Uitdrukking die voornamelijk op Duitse beurzen wordt
gebezigd. Slaat op een K-stukken:
traditionele obligaties met een coupon- of dividendblad.
Laten: LBO: Leading
Economic Indicators: een "mandje" van economische indexen die de
toekomst van met name de Amerikaanse markten moet voorspellen. Leading
indicators: Lead-lag
methode: met deze methode probeert men maandelijks de gemiddelde
waarde van een groot aantal geselecteerde gegevens vast te stellen. De
gegevens moeten een beeld verschaffen van de wijze waarop en de mate waarin
een Leveraged
buy-out (LBO): uitkoop met geleend geld. Een effectenbank verstrekt
het management op basis van de geschatte waarde van het bedrijf een bruglening
om de verzelfstandiging te financieren. LIBOR:
Londen Interbank Offered Rate. De basisrente die banken op de euromarkt
onderling voor deposito's hanteren, of het tarief waartegen Britse banken
deposito's in dollars of eurovaluta aanbieden aan andere binnenlandse banken. Limit-down:
de laagste notering waarbij nog in effecten wordt gehandeld. Wanneer de
koers nog verder zakt, wordt de handel stilgelegd. De limits worden dagelijks
vastgesteld naar aanleiding van de beursnoteringen van de vorige dag. Limit-up:
tegenovergestelde van Liquide
middelen: onder andere het eigen geld in kas en op de bank. Liquiditeit:
de mate waarin de onderneming op korte termijn aan de vervallen of opeisbare
verplichtingen kan voldoen. Lollipop:
Wall Street jargon voor een sukkel, dat wil zeggen iemand die alles koopt,
als er maar een goed verhaal aan vast zit. Het zal duidelijk zijn dat lollipops
vaak en veel geld verliezen. Lombardtarief:
tarief dat de banken in rekening wordt gebracht wanneer ze bij de nationale
(centrale) bank geld lenen met waardepapieren als onderpand. Ook: voorschotrente. Lufthansa-syndicaat:
benaming voor een groepje effectenbankiers dat naar het buitenland vliegt
om er snel te profiteren van bepaalde gunstige omstandigheden, de winst
opstrijkt en onmiddellijk daarna terugvliegt. Lui:
Malign
neglect: opzettelijke veronachtzaming. Managed
decline: geleide(lijke) daling van de dollarkoers. Manipuleren:
kunstgrepen toepassen die de beurs in een bepaalde richting moeten beïnvloeden. Mantel:
een van de twee delen van een Margin
call: door verkopers van call-opties gevreesde maatregel van de
bank bij een scherpe koersstijging. (Of door verkopers van put-opties bij
een scherpe koersdaling.) De bank eist aanvullende zekerheid. Market
maker: Maturity: MBI:
Management Buy In. In Groot-Brittannië: venture capital investment.
Een groep investeerders belegt geld in een relatief jonge onderneming en
laat op deze wijze haar vertrouwen in het huidige management blijken. Soms
koopt de groep ook de aandelen op van tot dusver ontevreden aandeelhouders
om "rust in de tent" te krijgen. MBO:
Management Buy-out. Britse benaming voor Mean
price: de gangbare prijs, vaak het gemiddelde van de vraagprijs
en de geboden prijs. Soms ook "marktprijs" of "middle price" genoemd. Merchant
bank: Brits equivalent van de Amerikaanse Merger-mania:
lett.: fusie-manie. MEV:
macro-economische verkenning. Verschijnt samen met de rijksbegroting in
september. MIG:
Moody's Investment Grade. "Ratings" voor kortlopende obligaties, variërend
van MIG 1 voor de hoogste kwaliteit, tot MIG 4 voor "voldoende" kwaliteit. MIP:
Maatschappij voor Industriële Projecten. Initiatief van de overheid. Misbruik
van voorwetenschap: MMI:
Major Market Index. Index van 20 Amerikaanse hoofdfondsen. Modelcode:
document waarin o.a. het verbod op handelen door personen die over voorkennis
kunnen beschikken is vastgelegd. MPT: Moderne
portefeuille theorie (MPT): in de jaren vijftig ontwikkelde theorie
over spreiding van beleggingsrisico's. "De belegger moet niet al zijn eieren
in het zelfde mandje leggen." Grondleggers van de MPT zijn de Amerikaanse
economen Harry Markowitz, Merton Miller en William Sharpe, die daarvoor
in 1990 de Nobelprijs voor de economie kregen. Monetarist:
aanhanger van de theorie dat de overheidsbemoeienis met de economie beperkt
moet blijven tot het beheersen van de geldstroom. De bekendste aanhanger
van deze theorie is Nobelprijswinnaar Milton Friedman. Tijdens een Monetary
base: grafiek die het aanbod van geld weergeeft. Moody's:
Moody's Investors Service, een Muni:
municipal. Amerikaanse gemeente-obligatie. Mutaties:
veranderingen. Actief aan- en verkoopbeleid op de beurs. Mutual
funds:
NCM:
Nederlandse Credietverzekerings Maatschappij. Particuliere maatschappij
die in opdracht van de overheid betalingsrisico's van Nederlandse bedrijven
verzekert. Negicef:
Nederlands centraal instituut voor giraal effectenverkeer. Wat de Bankgirocentrale
is voor het girale geldverkeer, is het Negicef voor het girale effectenverkeer.
Zusterorganisatie van Nettohandel:
handel in pakketten aandelen groter dan 1 miljoen gulden en in pakketten
obligaties groter dan 2,5 miljoen gulden, waarvoor de vaste provisies zijn
afgeschaft. In de praktijk is dit handel tussen grote beleggers, banken
en commissionairs onderling. NIB:
Nationale Investeringsbank. Initiatief van de overheid. NIEC:
Nederlands Interprofessioneel Effectencentrum. Zusterorganisatie van het Nikkei:
Nikkei Stock Index. Index van 225 hoofdaandelen die genoteerd staan op
de beurs van Tokio. Nominale
waarde: waarde zoals die staat aangegeven op een waardepapier.
In haussetijden ligt de beurswaarde meestal hoger dan de nominale waarde. Noodlijdend:
niet, of niet geregeld rente betalend. Note
issuance facility: overeenkomst waarbij de bank garandeert dat
het uitgegeven papier ook wordt afgezet. Notes:
kortlopende Amerikaanse staatsobligaties; schatkistbiljetten en -promessen. Not
negotiable: niet verhandelbaar. Staat vermeld op een NOVOK:
Nederlandse Organisatie van Olie- en Kolenhandelaren. Bij de NOVOK zijn
300 vrije oliehandelaren aangesloten die samen 2000 van de in totaal 7500
benzinepompen in ons land in handen hebben. Dit zijn de zogenaamde "vrije
-" of "witte" pompen. NPM:
Nederlandse Participatiemaatschappij. De aandeelhouders van de NPM zijn
± 30 grote banken en verzekeringsmaatschappijen. Sinds in 1987 is
begonnen met het uitgeven van certificaten is 20% van de aandelen in handen
van particulieren gekomen. Nulcouponobligatie: NVB:
Nederlandse Vereniging van Banken. NVE:
Nederlandse Vereniging van Ondernemingen in de Energiebranche. NYMEX:
New York Mercantile Exchange. Voornamelijk een olietermijnmarkt. NYSE:
New York Stock Exchange. Grootste en oudste beurs van Amerika, opgericht
in 1792. In het algemeen wordt er slechts in aandelen van grote organisaties
gehandeld. Er zijn 23 hoeken. In elke hoek worden honderd of meer aandelen
verhandeld. De NYSE heeft meer dan 1300 leden, die worden bestuurd door
de Board of Governors.
Obligatie-
of aandelenregister: (V.S., Groot-Brittannië, Japan) register
waarin elke transactie met obligaties of aandelen wordt bijgewerkt, omdat
de OESO:
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. "Denktank" van
24 rijke industrielanden. Off-hour
trading: computerhandel op de effectenbeurs van New York, tot een
uur na de slotnoteringen. Officiële
callrente: een dagelijks door een commissie van vijf banken vastgesteld
rentetarief dat als regel ¼ procentpunt onder de Officiële
Prijscourant: de krant van de Vereniging voor de Effectenhandel
waarin elke beursdag alle koersen van de tot de officiële en onofficiële
notering toegelaten binnenlandse effecten, waaronder opties, worden vermeld. Offshore
banking: het verstrekken van kredieten aan niet-lokale bedrijven,
bij voorbeeld multinationals. Old
Lady: the Bank of England, de centrale bank van Groot-Brittannië.
Ook: "the Old Lady of Threadneedle Street". Oligarchische
clausule: clausule in de statuten van een N.V. of B.V., waardoor
bijzondere bevoegdheden in het vennootschap worden toegekend aan bepaalde
aandeelhouders, bij voorbeeld houders van aandelen met beheerspreferenties.
De Oligopolie:
situatie op een markt met weinig verkopers en veel kopers, waarbij elk
van de producenten in staat is om de markt te beïnvloeden, maar niet
om de reactie van de concurrent heen kan. Onderhands:
niet-openbaar. Bij een onderhandse lening wordt er geen beroep gedaan op
de openbare Onderliggende
waarde: datgene waarop een Onderpand:
iets dat tot zekerheid moet dienen van een bankkrediet. Aandelen kunnen
in onderpand worden genomen voor een effectenkrediet. Onderschrijver: Ongedekt
schrijven: OPEC:
Organization of Petroleum Exporting Countries. Open-end
fonds: Open
orderboek handelssysteem: regels die o.a. bepalen dat professionele
handel mogelijk is vanaf een transactie met een bepaalde omvang. In een
open orderboek brengen de klanten zelf hun koersen in. Open
outcry: schreeuwen; vereiste voor de handel op de (optie)beurs. Opschorten
van de notering: Opslagrente:
extra heffing op de debetstand van de rekening-courant. Optie:
het recht om binnen een afgesproken periode en tegen een afgesproken prijs
aandelen te kopen of verkopen. De looptijd van dit recht is betrekkelijk
kort; meestal 3, 6 of maximaal 9 maanden. De tegenpartij van de opties
is de markt, de verkoper van de optie, die hiervoor als betaling de wisselende
prijs van de optie ontvangt. De optiebeurs staat in Nederland los van de
effectenbeurs. Optiehouder:
eigenaar van een Optiepremie:
wat de schrijver (afgever) van de optie ontvangt voor het verlenen van
een aan- of verkooprecht. Option
cycles: drie cycli van vervaldata van bepaalde opties: JAJO: januari,
april, juli, oktober; FMAN: februari, mei, augustus, november; MJSD:
maart, juni, september, december. OTC: Ounce:
eigenlijk "troy ounce": 31,10348 gram. Gewicht dat voornamelijk wordt gebruikt
om goud mee te wegen. Out
of the money-optie: Overhead:
managementskosten die niet direct tot de produktiekosten kunnen worden
gerekend. Overtekenen:
er wordt voor een veel hoger bedrag op een Over
the counter: over de toonbank. 1. Benaming voor effectenhandel
die niet op de beurs plaatsvindt; 2. Effectenhandel via de telefoon of
de telex, in plaats van op de eigenlijke beursvloer; 3. Incourante markt
in het buitenland. Overval:
ongewenste overname van een bedrijf door middel van inkoop van aandelen
op de beurs.
Parallelmarkt:
kent minder strenge voorwaarden dan de gewone effectenbeurs. Relatief kleine
en middelgrote ondernemingen kunnen de eerste stappen zetten naar meer
bekendheid bij de beleggers. De parallelmarkt is een "wachtkamerbeurs"
voor ondernemingen die nog te jong of te klein zijn voor de effectenbeurs.
De aandelen worden verhandeld op de effectenbeurs; er is geen aparte vloer
voor de parallelmarkt. Pari:
bij een notering van 100% is er sprake van een parikoers; à pari
betekent: tegen de Participatiemaatschappij:
organisatie die deelneemt in het eigen vermogen van vooral jonge ondernemingen,
en die haar deelneming na de aanlooptijd winstgevend probeert te verkopen. Passiva:
de schulden en het eigen vermogen van een onderneming, voorkomend op de
creditzijde van de balans. Payout-percentage:
het percentuele deel van de nettowinst dat voor dividenduitkering wordt
bestemd. Penny
stocks: goedkope, risicovolle effecten. People
pill: middel om een bedrijf te beschermen tegen een ongewenste
overname. Het management dreigt massaal op te stappen wanneer het bedrijf
door deze Perpetuele
lening: eeuwigdurende lening. Plastic
bonds: obligaties van organisaties als VISA en MasterCard. Bij
de Citibank noemt men deze obligaties "Citi Credit Card Trusts"; bij Salomon
Brothers heten ze "Cards". Platt's
notering: lijst met richtprijzen van olieprodukten als benzine,
diesel en huisbrandolie. De notering, met prijzen die vastgesteld zijn
op basis van de wereldhandel, wordt opgesteld in New York en komt iedere
ochtend rond 8 uur binnen bij de oliemaatschappijen. De Platt's notering
heeft een grote invloed op de prijzen van de produkten aan de pomp. Pool:
een bundel schuldbekentenissen in de vorm van een obligatie. Bij voorbeeld:
50 hypotheken van elk $ 20.000 in de vorm van één obligatie
van $ 1 miljoen. Portfolio
insurance: verkoop van Positie
afbouwen: de hoekman zorgt ervoor dat hij de stukken die hij "op
zijn boekje" heeft staan kwijtraakt. Positie
innemen: de hoekman sluit transacties voor eigen rekening en risico
af; hetzij om winst te maken, hetzij om vraag en aanbod met elkaar in evenwicht
te brengen. Hij neemt de aandelen "op zijn boekje". PPM:
Particuliere Participatiemaatschappij. Preferente
aandelen: aandelen waaraan voorrechten zijn verbonden m.b.t. de
winstdeling of de benoeming van bestuursleden. Het bestuur van een onderneming
kan met dergelijke aandelen bij voorbeeld een grote stemmenmacht op de
been brengen. Soms hoeft op het aandeel maar een kwart van de Premie-obligatie:
van dergelijke obligaties wordt maar een klein deel van het Prijshoudend: Prime
rate: de rente die de Amerikaanse banken hun meest kredietwaardige
en trouwe klanten in rekening brengen. Prioriteitsaandeel:
aandeel waaraan bepaalde voorrechten zijn verbonden, o.a. met betrekking
tot de benoeming van directie en commissarissen. Ook: prior. Private
placement: onderhandse plaatsing. Het uitgeven van een Program-trading:
computergestuurde effectenhandel op basis van programma's die winstmogelijkheden
opsporen. Er zijn twee vormen van program-trading: 1. Prolongatiekoers:
het tarief dat geldt voor voorschotten op onderpand van effecten. Promessedisconto:
cijfer waarop de banken de rente baseren die zij bedrijven in rekening
brengen. Prospectus: Provisie:
commissie; bedrag dat de klant betaalt aan commissionair
en Put-optie:
Rally:
plotselinge prijsstijging van effecten; vaak na een periode van prijsdalingen. Random
walk: theorie die zegt dat de kans dat de koersen stijgen of dalen
elke dag opnieuw 50/50 is. De theorie zegt ook dat het niet verstandig
is al je eieren in één mandje te leggen, met andere woorden:
portfolio diversificatie verbetert de kansen van de "random walker". Rapportageregeling
baisseposities: regeling van de Amsterdamse effectenbeurs, waarin
o.a. staat dat de door de leden gerapporteerde baisseposities tweemaal
per maand moeten worden gepubliceerd wanneer zij de duizend aandelen overschrijden. Rating: Reactie:
eufemisme voor scherpe koersval. Real-time
index: op elk moment bijgehouden index die als totale barometer
van het klimaat op de nationale beurzen fungeert. Recessie:
economische achteruitgang. Recovery
funds: Britse benaming voor beleggingsfondsen die zich concentreren
op organisaties waarvan de winsten en aandelenkoersen zijn ingestort, in
de hoop op koersherstel. Risicovol. Red
herring: concept Reële
rente: nominale rente min inflatie. Refcorp:
Amerikaanse instelling die kapitaal vergaart om de problemen bij geruïneerde
Amerikaanse spaarbanken op te lossen. Rendement:
opbrengst van effecten op basis van de beurswaarde van het geïnvesteerd
vermogen. Rentabiliteit:
de mate van winstgevendheid van de onderneming, die meestal wordt uitgedrukt
in verhoudingsgetallen. Rentabiliteit eigen vermogen = netto bedrijfsresultaat
gedeeld door geïnvesteerd eigen vermogen. Rentabiliteit totaal vermogen
= netto bedrijfsresultaat plus betaalde rente gedeeld door totaal
geïnvesteerd vermogen. Rentedragende
stukken: waardepapieren waarop geen dividend wordt ontvangen maar
rente, bij voorbeeld obligaties. Renteswaps:
durfkapitaal. Rentevrijstelling:
met betrekking tot de inkomstenbelasting: er geldt een rentevrijstelling
van ¦
1000,- voor alleenstaanden en van ¦
2000,- voor gehuwden, plus ¦
500,- voor ieder minderjarig kind. Report: Risicodragende
stukken: eigen vermogen plus achtergesteld vreemd vermogen. Risk
capital: durfkapitaal. Kapitaal dat wordt uitgetrokken om te beleggen
in een onderneming die geen garanties kan geven. De kans op verlies is
aanwezig, hoewel er ook kans is op aanmerkelijke winst. ROEFEX:
Rotterdam Energy Futures Exchange. Olietermijnmarkt
die op 30 oktober 1989 door de toenmalige minister van Financiën Ruding
werd geopend en op 26 september 1990 werd gesloten omdat het een commerciële
flop bleek te zijn. Rocks:
aandelen Xerox. Royeren:
het doorhalen van een bestens- of gelimiteerde aan- of verkooporder. RTC:
Resolution Trust Corporation. Amerikaanse federale
overheidsinstantie die de noodlijdende spaarbanken ("savings and loan industry"
of "thrifts") moet saneren. Ressorteert onder de Federal Deposit Insurance
Company (FDIC). Ruilorder:
gecombineerde aan- en verkooporder. De koop mag niet doorgaan als de verkoop
niet uitgevoerd is, en omgekeerd. Run-up:
opwaartse beweging van de koersen op de financiële markten.
Schatkistpapier:
schuldbekentenissen van de overheid, te verdelen in: Schatkistpromessen,
looptijd maximaal 1 jaar; schatkistbiljetten, looptijd maximaal 5 jaar;
schatkistcertificaten, looptijd 10 jaar. In België zijn alle schatkistpapieren
schatkistcertificaten. Schrijven: SCP:
Sociaal en Cultureel Planbureau. Scrip
issue: extra uitgifte van aandelen aan bestaande aandeelhouders.
Meestal als vorm van SDR:
Special Drawing Rights. Bijzondere trekkingsrechten. Reservemiddel door
het SEAQ:
elektronische beursvloer van Londen. SEC:
Security and Exchange Commission. Amerikaanse beurscommissie, onafhankelijk
orgaan dat toezicht houdt op de Amerikaanse beurzen. De SEC kent een groot
aantal regels, de zogenaamde SEC-rules. Overtreding van de regels is strafbaar
en in een aantal gevallen zelfs een misdrijf in de zin van de strafwet. Seller's
market: markt waarop de vraag groter is dan het aanbod, waardoor
de verkopers tot op zekere hoogte de prijzen kunnen bepalen. SER:
Sociaal Economische Raad. SFO:
Serious Fraude Office. Het bureau fraudebestrijding van Scotland Yard. Shark
repellent: iemand die een Short-positie:
situatie waarbij iemand de aandelen die hij heeft verkocht nog moet inkopen
en afleveren. "Short gaan" betekent dus: het verkopen van aandelen die
men nog niet in bezit heeft. Ook: in de wind. Short
squeeze: verschijnsel waarbij de ingenomen Slam
dunk: basketbalterm. Een krachtige score, zonder noemenswaardige
oppositie. Vaak gebruikt bij (ongewenste) bedrijfsovernames. Solvabiliteit:
de mate waarin de onderneming in staat is te allen tijde aan haar financiële
verplichtingen te voldoen. Extern wordt dit vaak afgemeten aan de dekking
die het eigen vermogen verschaft aan de houders van het vreemde vermogen
(= verhouding gemiddeld eigen vermogen / gemiddeld totaal geïnvesteerde
vermogen). Sour
crude: zware soort ruwe olie die o.a. meer zwavel bevat dan Specialist:
hoekman. De specialists hebben ieder een aantal fondsen onder hun hoede,
waarvoor ze de handel op gang moeten houden. Ze moeten zorgen dat er aanbod
is bij een ruime vraag, en andersom. Ze nemen orders aan van brokers, maar
handelen ook voor eigen rekening. Op de Speculatief:
onzeker. Speculeren:
gokken; een bestemming geven aan gespaard of geleend geld, in de hoop op
een snelle winst. Spilkoers:
vastgestelde wisselkoers in het Splitsing
van obligaties: de Spot
market: de open markt, waar ter plekke (on the spot) goederen worden
verhandeld, of Spread:
1.Het verschil tussen het bod en de vraagprijs. Vraagprijs = 20, bod =
19, spread = 1. 2.Begrip van de optiebeurs. Met spreads beoogt men te kunnen
profiteren van een bepaalde trend van de beurzen. Bull spread: men probeert
te profiteren van een waarschijnlijk opwaartse trend. Bear spread: men
probeert te profiteren van een waarschijnlijk dalende trend. Stag:
speculant op de beurs die probeert te verdienen aan pas geëmitteerde
effecten, door ze met winst te verkopen. Stale
bull: handelaar op de effecten- of termijnmarkt die op papier winst
heeft, maar deze winst bij gebrek aan kopers niet in geld kan omzetten. Standard
& Poor's: beleggingsadviesbureau in de V.S. S&P's voeren
o.a. de volgende indexen: Industrial, Transport, Finance en de algemeen
gemiddelde index. (500 stocks) STAQS: Static-hedging:
het uit voorzorg verkopen van termijncontracten, ongeacht het beursverloop. STE:
Stichting Toezicht Effectenverkeer. Sterfhuisconstructie:
splitsing van een onderneming in winstgevende en verlieslatende delen. Stieren:
degenen die gokken op een koersstijging. Ook: haussiers. Stierenmarkt:
tijd van stijgende koersen. Stilleggen
van de computerhandel: de reglementen van bij voorbeeld de Newyorkse
beurs schrijven voor dat de computerhandel moet worden gestaakt wanneer
de Dow Jones-index voor 30 industriële aandelen 50 punten of meer
is gedaald. Stockdividend:
dividend dat wordt uitgekeerd in de vorm van aandelen, in plaats van contanten. Stockjobber:
hoekman op de Londense Stock Exchange. Stock-option:
het recht dat aan (hogere) personeelsleden wordt toegekend om gedurende
een bepaalde termijn (meestal een aantal jaren) aandelen in de eigen onderneming
te mogen kopen. Stock-owning
trust: Storneren:
het uithalen van een Stop-loss
order: verkoopopdracht met het doel verliezen te beperken bij dalende
koersen. De verkoop komt tot stand op de afgesproken stop-loss limit of
de eerste koers daaronder. Straddle:
begrip van de optiebeurs. Men verkoopt tegelijk put-opties (puts) en call-opties
(calls) van dezelfde effecten. De afnemers van de puts en calls gokken
tegen betaling van premie op resp. een koersdaling en een koersstijging.
Ook: dubbele sandwich. Strafbankje:
het beursbestuur kan aan de beurs genoteerde fondsen als strafmaatregel
naar "het strafbankje" verwijzen. De effecten van dat fonds mogen dan niet
meer op de officiële beurs worden verhandeld. Wanneer het fonds weer
voldoet aan de eisen die aan een notering worden gesteld, mag het terug
in de officiële notering. Ook: "opschorting van de notering" of "schorsing". Straight
bond: obligatie met een vaste rente. Street,
the : Wall Street. Strips:
Amerikaanse staatsobligaties die door daartoe bevoegde instellingen van
de Stroppenpot: Stukken:
alle mogelijke verhandelbare waardepapieren. Surplusobligatie:
een vorm van achtergestelde obligaties, waarbij het nadeel van de achterstelling
wordt gecompenseerd door een surplusrente. Swaps:
algemeen: het kopen van het ene stuk en het verkopen van een ander. Meestal
gebruikt met betrekking tot de handel in termijncontracten en valuta-opties,
om zich in te dekken tegen valutarisico's. Sweet
crude: lichte soort ruwe olie, waaruit veel lichte produkten kunnen
worden gemaakt, zoals benzine, diesel en huisbrandolie. De prijs per vat
is daarom hoger dan die van de Syndicaat:
groep emissiebanken.
Tendersysteem:
de inschrijver op een Termijnhandel:
het kopen en verkopen van effecten/goederen voor levering op een toekomstig
tijdstip, met de bedoeling die effecten/goederen op dat overeengekomen
tijdstip niet te ontvangen, noch te leveren, maar de contracten af te wikkelen
door het prijsverschil te verrekenen. Termijnmarkt: Thesaurier:
beheerder van de schatkist. Thrift-industry:
spaar- en financieringsbanken in de V.S. Ook: "thrifts" of "Savings and
Loan Industry". Toelaatbaar
beroep op de bank: Tontine-stelsel:
vernoemd naar bedenker Lorenzo Tonti. Spaarkas-systeem. Een groep mensen
spaart samen; aan het eind van de spaartermijn worden het geld en het Toonbanksysteem:
het verstrekken van (staats)obligaties tegen een dagelijks bij te stellen
koers. De duur van de afgifte is afhankelijk van de marktomstandigheden.
Wanneer genoeg geld binnen is, wordt de toonbank gesloten. Toondereffecten:
effecten zonder naamaanduiding. Totaalcoupure:
de uitgeschreven lening wordt op een enkel obligatiebewijs uitgebracht. Total
return: koerswinst plus Treasury-afdeling:
de afdeling treasury van een (Nederlandse) gemeente houdt zich bezig met
het centrale saldo- en liquiditeitsbeheer van verschillende gemeentelijke
diensten. Nieuw verschijnsel. Den Haag was in Nederland de eerste gemeente
met een centrale treasury-afdeling. Treasury
bill: Amerikaans kortlopend Trendlijn:
koersrichting zoals aangegeven op de grafieken van kaartlezers. Triple
witching days: koersschommelingen op de dagen dat de driemaandelijkse
afwikkeling van
Underwriter:
lett.: onderschrijver. Meestal een Unit
trust: beleggersfonds dat grote hoeveelheden effecten koopt en
deze als aandelen (units) in het totaalbezit verkoopt aan het publiek.
De dividenden worden uitgeloot en over de aandeelhouders verdeeld. Banken
of verzekeringsmaatschappijen treden vaak op als gevolmachtigde. In Amerika:
mutual funds. Upgrading:
opwaardering van een
Variabele
hypotheek: eigenlijk: rentevariabele hypotheek. Als een huis meer
waard wordt, kan er meer geld worden geleend. Vast: VBA:
Vereniging van Beleggingsanalisten. VEB:
Vereniging van Effectenbezitters. Venture
Capital Investment: Krediet dat wordt verstrekt aan nieuw opgerichte
ondernemingen. De verliesfactor is hoog. Verdeeld: Vereniging
voor de Effectenhandel: Amsterdamse effectenbeurs. Vervaldatum:
dag waarop een Verzamelcoupures:
obligatiebewijzen waarbij een aantal kleinere coupures zijn gebundeld tot
een grote, om het in omloop zijnde aantal VEUO:
Vereniging van Effecten Uitgevende Ondernemingen. De vereniging van ondernemingen
die op de beurs staan genoteerd. VFN:
Vereniging van Financieringsondernemingen. Vloer:
plaats in het beursgebouw waar wordt gehandeld. Volstorten:
het voldoen van het nog niet betaalde deel van het nominaal effectenbedrag. Voorschotrente:
de rente die de banken betalen als zij, tegen onderpand, geld lenen bij
de centrale bank. Ook: Lombardtarief. Vreemd
vermogen: krediet, in tegenstelling tot eigen vermogen. Vriendelijk:
Watchdog:
lett.: waakhond. Ambtenaar van de Wet
Effectenhandel: deze wet is op 1 juli 1986 in werking getreden
en beoogt beleggers bescherming te bieden tegen misleidende beleggingsaanbiedingen. WGVB:
Werkgeversvereniging voor het Bankbedrijf. Bijna alle Nederlandse banken
zijn bij de WGVB aangesloten. White
knight: lett.: witte ridder. Iemand die een bedrijf behoedt voor
een ongewenste overname door dat bedrijf zelf over te nemen. Willig: Wind: Windfall:
een plotseling, onverwacht voordeel. Windhandel:
zuiver speculatieve handel die alleen wordt gedreven met het oog op winst
en tegen prijzen die elke reële basis missen. Vaak wordt er niets
(wind) geleverd of ontvangen. Soms wordt met windhandel een baissetransactie
bedoeld. Winstdelende
obligatie: indien het Winst
nemen: verkoop van Wissel:
wisselbrief. Papier waarin de ondertekenaar aan een ander opdracht geeft
op een bepaalde datum een bepaald bedrag aan de houder van dat papier te
betalen. Ook: bill of exchange. Wisselagent:
de enige persoon in België die verhandelingen op de beurs mag doen. Wisseldisconto:
het tarief dat De Nederlandsche Bank in rekening brengt bij aankoop van
discontabel papier (voornamelijk Wooden
ticket: lett.: houten kaartje. Deze uitdrukking wordt gebruikt
voor het bevestigen van een order, zonder dat de opdracht daadwerkelijk
is uitgevoerd. De handelaar/makelaar verwacht zelf meer winst te kunnen
maken door het uitvoeren van de opdracht enige tijd uit te stellen. Zeer
onethisch. WTI:
West Texas Intermediate. Een mengsel van oliesoorten gewonnen in de V.S.
WTI is een
Zonder
forceren: toevoeging bij een aan- of verkooporder. Bij grote afwijkingen
moeten er nieuwe instructies worden gevraagd.
Hoogenhout,
Harry, Succesvol beleggen, Bruna, Utrecht 1986. Lekane,
E., Algemene economie-gids, NIB, Zeist 1989. Lewis,
Michael, Blufpoker!, Uitgeverij Balans, Amsterdam 1991. Pessin,
Allan H., Ross, Joseph A., Still More Words of Wall Street, Business
One Irwin, Homewood Illinois 1990. Pessin,
Allan H., Ross, Joseph A., Words of Wall Street, Dow Jones-Irwin,
Homewood Illinois 1983. Post,
J.G., Strategisch beleggen aan de hand van economische barometers,
Het Spectrum, Utrecht 1987. Ven,
Pauline van de, De beurskrach van '87, Uitgeverij Balans, Amsterdam
1988. Ven,
Pauline van de, Stop-loss! Beleggen en speculeren op de beurs, Uitgeverij
Balans, Amsterdam 1988. |