Woordenboek voor de beurs
door Jaap van der Wijk
 ©Copyrights Jaap van der Wijk

Enkele richtlijnen voor de gebruiker: geen jargon is zo dynamisch als dat van de financiële markten. Voor de particuliere belegger, de geïnteresseerde in de binnenlandse en buitenlandse economie, en degene die nu eindelijk wel eens wil weten wat er nu écht in de economische katern van de zaterdagse krant staat, is een woordenboek als dit bijna een must. 

Bij het samenstellen van dit boek ben ik ervan uitgegaan dat u nieuwsgierig bent en meer inzicht wilt krijgen in een jargon dat u tot nu toe vaag, of helemaal niet kende. Ik heb me dan ook niet beperkt tot het sec verklaren van bepaalde begrippen, maar heb een verwijzingssysteem toegepast dat het u mogelijk maakt uw kennis stap voor stap uit te breiden. Bij voorbeeld: Berenmarkt geeft niet alleen de betekenis van het woord, maar verwijst ook naar het "tegengestelde" begrip stierenmarkt. En bij blue chips vindt u behalve de herkomst van het woord ook verwijzingen naar vergelijkbare wetenswaardigheden. Stop-loss order verwijst bij voorbeeld naar andersoortige orders. Al bladerend en lezend zult u van de ene verwijzing bij de andere terecht komen en voor u het weet kunt u een aardig mondje beursjargon meepraten. 

Maar nogmaals, niets is zo veranderlijk en dynamisch als het beursjargon. Er komen dagelijks nieuwe begrippen bij en het wáren er al zo veel. Dit boekje kan dus niet volledig zijn, en ik heb daarom getracht een selectie te maken van de meest gebruikte en meest moderne begrippen, zowel uit het Nederlandstalige als uit het Engelstalige gebied.  

De volgende heren wil ik hartelijk bedanken voor hun deskundige adviezen: R.E. Posthumus Meyjes (Crédit Lyonnais te Zutphen) en E.H. Schmidt (Pierson, Heldring & Pierson N.V. te Amsterdam). Meindert M.M. Leloux (Merrill Lynch N.V. te Amsterdam) bedank ik met name voor de Amerikaanse tips. 

Moge de inhoud van dit woordenboek u tot gemak dienen en nog meer wijsheid schenken dan er ongetwijfeld al was. 

  

Jaap van der Wijk 

Amsterdam, 1991. 
 

A 

AAAA,AA,A credit rating agency. 

Aandeel: bewijsstuk dat door een vennootschap wordt uitgegeven ten bewijze dat de houder deelneemt in het maatschappelijk kapitaal van de onderneming. Aandelen mogen in Nederland niet beneden  pari worden uitgegeven. Beroepsemittenten mogen evenwel, indien daarvoor een overeenkomst is gesloten, volstaan met aankoop voor ten minste 94% van de  nominale waarde. Elk aandeel heeft een nominale waarde. Zijn alle aandelen van hetzelfde bedrag, dan heeft elke aandeelhouder één stem. Zijn er aandelen van verschillende bedragen, dan geeft een aandeel evenveel stemmen als het een veelvoud is van het kleinste aandeel.  preferent aandeel,  scrip issue,  stockdividend 

Aandeelbewijs: aandeel in de betekenis dat men  aandeelhouder is. Het kan op naam zijn gesteld of aan toonder luiden. 

Aandeel op naam: bewijs van deelname in het aandelenkapitaal van een onderneming, dat is voorzien van de naam van de  aandeelhouder en dat daardoor niet zonder meer overdraagbaar is. 

Aandeelhouder: bezitter van een bewijs van deelname in het aandelenkapitaal van een onderneming. 

Aandeelhoudersvergadering algemene vergadering van aandeelhouders. 

Aandelenfusie: overdracht van de aandelen van de samenwerkingspartners aan één der partners of aan een nieuw op te richten onderneming (Stock owning trust). 

Aandelenoptie: het verhandelbaar recht om aandelen te kopen of te verkopen.  

Aandelenregister: door het bestuur van een vennootschap gehouden register van houders van aandelen op naam met vermelding van de daarop gestorte bedragen. In de V.S., Groot-Brittannië en Japan register waarin elke transactie met aandelen wordt bijgewerkt omdat de  stukken op naam van de houder staan. 

Aandelensplitsing: bij voorbeeld één aandeel van € 10 splitsen in twee van € 5,-, met als doel meer (kleine) beleggers aan te trekken. 

Aandelenvermogen, ongeplaatst: aandelen die nog niet geëmitteerd zijn. Ook wel "aandelen in portefeuille" genoemd.  emissie. 

Aan jou: verkopen. Bij voorbeeld: "Duizend flippen aan jou" betekent: "Ik verkoop jou duizend aandelen Philips."  van jou. 

Achtergesteld: later voor uitbetaling in aanmerking komend dan de vorderingen van andere schuldeisers.  claim obligatie. 

Actieve fondsen: fondsen waarin tijdens de beursdag doorlopend handel wordt gedreven.  fonds. 

Activa: bezittingen en vorderingen van een onderneming, voorkomend op de debetzijde van de balans. 

Advieskoers: is altijd vrijblijvend. Wordt gebruikt als hulpmiddel bij aan- en verkoop. 

Afbrokkelend beursstemmingen. 

Affaire: transactie. Een "foute affaire" is vaak een verliesgevende transactie, maar dit is geen must. 

Agio: bedrag dat een waardepapier meer waard is dan de daarop uitgedrukte  nominale waarde.  disagio,  pari. In België: report.  

Agiobonus: ten laste van de  agioreserve uitgekeerd bonusaandeel. Meestal belastingvrij. 

Agioreserve: wordt gevormd door storting van contanten ter verkrijging van nieuwe aandelen tegen een hogere koers dan de nominale. 

AIBD: Association of International Bond Dealers. In Zwitserland gevestigde vereni­ging, waarvan de leden zich bezighouden met de uitgifte en handel van euroleningen. Praktisch alle belangrijke Europese banken en commissionairs zijn lid van de vereniging.  commissionair(sbedrijf)  eurobond. 

AIBOR: Amsterdam Interbank Offered Rates. Het tarief waartegen de Nederlandse banken deposito's in guldens of eurovaluta aanbieden aan andere binnenlandse banken.  deposito. 

AIM: Amsterdams Interprofessioneel Marktsysteem. Systeem waarbij grote hoeveelheden effecten (bij obligaties minimaal ¦ 2,5 miljoen en bij aandelen minimaal ¦ 1 miljoen) op nettobasis kunnen worden verhandeld, d.w.z. de provisie zit in de koers verwerkt. Voordat de beursbelasting werd afgeschaft hielden nogal wat partijen hun orders bewust uit het AIM om zodoende de beursbelasting te kunnen omzeilen. Het systeem omvat ± 40 terminals, die ter beschikking staan van leden en de  institutionele belegger. 

à la baisse: omlaag, speculerend op een koersdaling.  

à la hausse: omhoog, speculerend op een koersstijging.  

Algemene beursindexcijfer: berust op de prijzen van in totaal 54 fondsen: 5 internationale concerns, 27 uit de industrie, 4 uit de scheepvaart, 5 uit het bank- en verzekeringswezen en 13 uit de handel. Met behulp van het algemene beursindexcijfer kan men in een oogopslag vaststellen of het prijsniveau hoger of lager is dan dat van de vorige beursdag.  fonds.  

Algemene vergadering van aandeelhouders: elk jaar moet er een algemene vergadering van aandeelhouders plaatshebben. De algemene vergadering is het hoogste orgaan van de N.V. en B.V. Deze vergadering kan geen besluiten nemen die ingaan tegen de wet, het doel van de vennootschap, de statutaire regelingen, of die welke behoren tot de bevoegdheden van andere organen. De nietigheid van een besluit kan ingeroepen worden door iedere aandeelhouder en iedere derde-belanghebbende. In de vergadering moet het bestuur van de vennootschap rekening en verantwoording afleggen voor het gevoerde beleid en moet de jaarrekening worden goedgekeurd.  

All time high: de hoogste notering op een bepaalde beurs tot nu toe.   

All time low: de laagste notering op een bepaalde beurs tot nu toe.  

Ambulance stock: uit Japan afkomstige uitdrukking. Wanneer men bezig is geld te verliezen zal men er door deze aandelen, de ambulance stock, snel weer bovenop komen.  

AMEX: moderne benaming van de American Stock Exchange (ASE), één van de drie effectenbeurzen van New York.  NASDAQ NYSE. 

Analist beleggingsanalist,  fundamenteel analist,  technisch analist. 

Angel: jargon voor obligatie met hoge waardering. Favoriet bij de  institutionele belegger die geen risico wil lopen.  blue chip,  Bo Derek Story,  credit rating agency. 

Annuities: Amerikaanse vorm van lijfrente. 

Annuïteit: aflossingsmethode waarbij in het algemeen de rente + aflossing een constant totaalbedrag vormen en de onderlinge verhouding wisselt. M.a.w.: het aflossingsbedrag wordt steeds groter en het rentebedrag wordt steeds kleiner. 

Anticipatiekrediet: door een bankier verstrekt krediet, vooruitlopend op een effectenemissie.  emissie. 

AOT: Amsterdam Option Traders.  Hoekman(sbedrijf). 

Arbitrage: handel om te profiteren van koersverschillen tussen dezelfde fondsen op verschillende beurzen.  fonds.  

Arbitragant: handelaar die zich bedient van  arbitrage. 

ASAS-systeem: Amsterdam Securities Account System. Met dit systeem kan in Amsterdam in originele buitenlandse aandelen worden gehandeld, die dan ook niet in guldens maar in de originele valuta per stuk worden genoteerd. 

ASE: 1.Ouderwetse benaming van de American Stock Exchange in New York. Betere benaming is  AMEX. 2.Amsterdam Stock Exchange, Amsterdamse effectenbeurs. Opgericht in 1602; de oudste effectenbeurs van de wereld. 

Asset stripper: Britse benaming voor  raider. 

Auction rate preferente aandelen preferente aandelen waarvan het rendement periodiek door middel van een veiling wordt vastgesteld.  

Aunt Millie: Amerikaans jargon voor kleine, niet-professionele aandeelhouders. Ook wel: Belgian dentist. In Londen: aunt Agatha. 

Austral: munteenheid van Argentinië. 

AVA Algemene Vergadering van Aandeelhouders. 

Avondhandel: op de Amsterdamse beurs mogelijk na 16.30 uur, gedurende de openingstijden van de  NYSE. (tot 22.00 uur Nederlandse tijd). Alleen voor "internationals", d.w.z. fondsen die eveneens aan een buitenlandse beurs zijn genoteerd. Deze handel vindt voornamelijk telefonisch plaats, waarbij de Amerikaanse beurs meestal de stemming bepaalt. Men geeft de voorkeur aan posten van minimaal 1000 stuks.  fonds. 
 

B 

Baby bond: Amerikaanse obligatie met een waarde van minder dan $ 1000. 

Baisse, baissemarkt, baisseperiode: tijd van dalende koersen. Ook bear-market of  berenmarkt.  hausse,  stierenmarkt. 

Baissegeluidjes: pogingen van degenen die geld verdienen aan koersdalingen om de koers in neerwaartse richting te beïnvloeden. 

Baissepositie: situatie waarbij iemand de aandelen die hij heeft verkocht nog moet inkopen en afleveren. 

Baissier: iemand die speculeert op een koersdaling. Aandelen die nog niet "in huis" zijn worden nu al verkocht in de hoop deze later, vóór de afgesproken dag van levering, voor een lagere prijs te kunnen inkopen dan ze zijn verkocht.  haussier. 

Beanetorganisatie die ervoor zorgt dat elektronische betalingen bij de banken terechtkomen. 

Bearish: pessimistisch.  baisse. 

Bear market berenmarkt. 

Beeldschermenhandel elektronische vloer. 

Begrotingstekort: negatief verschil tussen uitgaven en inkomsten van de overheid. 

Beleggen: overtollig geld gebruiken om investeringen mee te doen in bij voorbeeld effecten, in de hoop een hogere opbrengst te krijgen dan bij "normaal" gebruik, zoals sparen. 

Beleggingsanalist: deskundige die ondernemingen, politieke situaties en economische ontwikkelingen bestudeert en advies uitbrengt over de bestemming van gespaard of geleend geld.  fundamenteel analist,  technisch analist. 

Beleggingsfonds: organisatie welke haar eigen of andermans spaargeld belegt. 

Beleggingsstrategie integrale beleggingscyclus. 

Belening: aandelen of obligaties tot zekerheid van een lening. 

Berekuil: bodem van de markt, als de aandelenprijzen het laagste niveau hebben bereikt. 

Beren: degenen die op een koersdaling speculeren. Ook: baissiers.  à la baisse,  stieren. 

Berenmarkt: tijd van dalende koersen.  stierenmarkt. 

Bestensorder: order tot aan- en verkoop van effecten waarvoor de klant geen boven- of ondergrens in de prijs heeft opgegeven; kopen of verkopen voor de best mogelijke prijs, te beoordelen door de commissionair.  commissionair(sbedrijf)  dagorder,  doorlopende order,  gelimiteerde order,  ruilorder,  stop-loss order,  zonder forceren. 

Beter beursstemmingen. 

Beurs: markt. Plaats waar een markt wordt gehouden; waar vraag en aanbod samenkomen. 

Beursbestuur: Vereniging voor de Effectenhandel te Amsterdam. De leden zijn de ± 140 commissionairs en  hoekman(sbedrijven). 

Beurshausse: langere periode van ononderbroken koersstijging. 

Beursindex: koersgemiddelde van een aantal belangrijke aandelen. 

Beurskrach: beurscrisis. Instorting van de koersen. Ook: crash. 

Beurslid: lid van de Amsterdamse effectenbeurs. Degene die orders aanneemt van het publiek (commissionair) en die de prijzen van de aandelen bepaalt (hoekman).  commissionair(bedrijven),  hoekman(sbedrijven). 

Beursnotering: prijslijst van stukken die op de beurs worden verhandeld, afgedrukt in de  Officiële Prijscourant van de beurs. Ook gebruikt om aan te geven dat aandelen van een bedrijf aan de beurs worden verhandeld. 

Beurspaniek: vertrouwenscrisis die tot groot aanbod van stukken en daardoor tot een scherpe prijsdaling leidt. 

Beursstemmingen: Afbrokkelend: iets naar beneden. Beter: koersen zijn een fractie hoger. Bloedvast: stijgende koersen. Booming: stijgende koersen. Dood: niets te doen. Flauw: alle koersen naar beneden.Gedrukt: koersen dalen sterk. Lui: weinig handel. Prijshoudend: koersen zijn stabiel. Vast: over een breed front stijgende koersen. Verdeeld: markt zonder tendens, wat hogere en wat lagere koersen. Vriendelijk: over een breed front betere koersen. Willig: koersen lopen sterk op. Zeer flauw: sterke koersdaling. Zeer vast: over een breed front sterk stijgende koersen. 

Beurswaarde: de prijs waartegen alle gezamenlijke aandelen van een onderneming op een bepaalde dag worden verhandeld. 

BIB: Bank voor Internationale Betalingen. 

Bieden gedaan en bieden,  biedprijs. 

Biedprijs: geen notering, te veel vraag.  laatprijs. 

Big Board: benaming voor de New York Stock Exchange (NYSE). Belangrijkste van de drie effectenbeurzen van New York. De andere twee zijn de  AMEX en de  NASDAQ. 

Big Five: a. De vijf grootste accountantsfirma's van de wereld. De "top drie" van "the Big Five" zag er begin 1991 als volgt uit: 1.KPMG (6300 partners, 77.000 personeelsleden, 800 kantoren in 123 landen); 2.Ernst & Young (5600 partners, 73.000 personeelsleden); 3.DRT (4900 partners, 60.000 personeelsleden). 

b. De vijf grootste effectenbanken van Japan: Nomura, Daiwa, Nikko, Yamaichi en Kokusai. 

Bill rate: tarief waartegen wissels in disconto worden genomen.  discontopercentage,  wissel. 

Bills: kortlopende Amerikaanse staatsobligaties; schatkistbiljetten en -promessen. 

Black Monday: de zwarte dag uit de geschiedenis van Wall Street: 19 oktober 1987. De  Dow Jones kelderde met 508 punten. 

Blitzkrieg tender offer: de  raider biedt de aandeelhouders meer geld voor hun aandelen dan ze op de beurs waard zijn, om het bedrijf snel in handen te kunnen krijgen. 

Bloedvast beursstemmingen. 

Bloot eigendom: contract dat dient als grondslag voor het splitsen van obligaties.  mantel,  obligatie,  couponblad,  splitsing van obligaties. 

Blue chip: eersteklas aandeel, vaak van een  hoofdfonds. In casino's hebben de blauwe fiches (blue chips) vaak de hoogste waarde. Angels zijn de blue chips van de obligaties.  angel,  Bo Derek Story,  credit rating agency. 

BNG: Bank voor Nederlandse Gemeenten. 

BNP: bruto nationaal produkt. 

Bobbels, bubbels windhandel. 

Bo Derek Story: zeer betrouwbaar, stabiel fonds. Bo Derek speelde in de film "10" een vrouw die een 10 kreeg voor haar fysieke aantrekkelijkheden. 

Bookie: bookmaker. 

Boom: explosieve koersontwikkeling op de beurs die betrekking heeft op de meeste aandelen. 

Booming beursstemmingen. 

Brent: verzameling oliesoorten uit de Noordzee. Brent is een  sweet crude.  Dubai,  sour crude,  WTI. 

Broker: effectenmakelaar, commissionair. Handelaar voor eigen rekening, in tegenstelling tot  specialist,  commissionair(sbedrijf). 

Bulletlening: lening waarbij de aflossing ineens moet worden betaald. 

Bullish: de ene koersstijging genereert de andere.  

Bull-market stierenmarkt.  

Bundesbank: Duitse centrale bank. In New York ook "Buba" genoemd. 

Buy-and-hold: kopen en behouden. Beleggingsstrategie zonder veel mutaties. 

Buyer's market: markt waarop het aanbod groter is dan de vraag waardoor de kopers tot op zekere hoogte de prijzen kunnen bepalen.  seller's market. 
 

C 

CAC-index: Cotation Assisté Continue-index. Index van 241 fondsen op de beurs van Parijs.  CAC 40-index,  index. 

CAC 40-index: index van 40 hoogwaardige fondsen op de beurs van Parijs. In tegenstelling tot de  CAC-index wordt de CAC 40-index gedurende de beursdag bijgewerkt.  index. 

Call-optie: het recht (niet de plicht) om gedurende een van tevoren afgesproken termijn bepaalde effecten te kopen.  put-optie. 

Capital gain tax: vermogensbelasting in de V.S. Er wordt belasting betaald over koerswinsten, maar de koersverliezen zijn fiscaal aftrekbaar. In Nederland niet doorgevoerd. 

Cashdividend: winstuitkering aan de aandeelhouders in contant geld.  stockdividend. 

Caveat emptor: de koper zij op zijn hoede. Term die gebruikt wordt om de koper op zijn eigen verantwoordelijkheid te wijzen. 

CBS-koersindex: index van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Een gewogen samengesteld beurskoersindexcijfer van 44 fondsen. Voor 01-05-1989 werd deze index de "ANP/CBS-index algemeen" genoemd.  index. 

CBS-stemmingsindex: elke beursdag berekent men enkele malen een (ongewogen) koersindexcijfer van de hoofdfondsen, met als basis de slotkoersen van 31 december van twee jaar eerder. Bij voorbeeld: 31-12-1988 = 100 en 29-12-1990 = 107,0. Deze index is geschikt voor vergelijkingen op korte termijn.  index. 

CD: Certificate of Deposits. Door de banken uitgegeven verhandelbaar termijndeposito of kasgeldlening in de vorm van schuldbekentenis. De  coupures zijn minimaal ¦ 1 miljoen groot; de looptijd is korter dan twee jaar. Bestemd voor de professionele handel.  

CEC: Commodities Exchange Center te New York. Op deze beurzen worden o.a. koffie, cacao en katoen verhandeld. 

Centrale bank: staatsbank. 

Certificaat: door de banken uitgegeven verhandelbare termijndeposito of kasgeldlening in de vorm van schuldbekentenis. 

Certificate: kortlopende Amerikaanse staatsobligatie; schatkistbiljet en -promesse. 

Certificering: van  preferente aandelen. Wordt gedaan om de invloed van de houders van gewone aandelen te beperken. 

CF-stukken: effecten die niet aan cliënten kunnen worden overhandigd. Stukken met het formaat van een ponskaart waarvan het  dividend of het  couponrendement via het Centrum voor Fondsenadministratie en via de banken die de effecten beheren, aan de houder wordt uitbetaald.  K-stukken. 

Chart: koersgrafiek. 

Chartist: iemand die koersgrafieken maakt en (mede) daarop zijn koop- en verkoopbeslissingen baseert. 

Chartreading: kaartlezen; koersgrafieken interpreteren. 

Chinese wall: duidt op de communicatiekloof tussen de afdeling merchant banking en de handelsafdeling van een investeringsbank.  

CIF: Cost Insurance Freight. Prijs van het produkt inclusief de kosten, verzekering en transport tot in de haven van eindbestemming. Behorend tot de leveringsvoorwaarden van de  termijnmarkt voor goederen en grondstoffen.  FOB. 

Claim: voorkeurrecht bij uitgifte van nieuwe aandelen aan "oude" aandeelhouders toegekend. Het coupon- of dividendnummer geldt als bewijs van dit voorkeurrecht.  

Climatic selling: een lange verkoophausse voordat er weer gekocht gaat worden. 

Closed-end fonds: fonds dat geen eigen aandelen inkoopt, o.a. om de post  liquide middelen te ontzien.  open-end fonds. 

COLA: Cost Of Living Adjustments. Aanpassingen die plaatsvinden wanneer de Amerikaanse levensstandaard zich heeft gewijzigd; op basis van de  CPI. 

Commercial-paper lening: ook: cp. Kortlopende obligatie met grote coupures, die op disconto-basis wordt verkocht. De winst bij aflossing is in feite de rentevergoeding. Cp's worden meestal uitgegeven door niet-kredietinstellingen, zoals industriële ondernemingen, maar sinds 1990 hebben ook overheidsinstellingen belangstelling voor de leningen van particulieren. Na de provincie Zuid-Holland brengt nu ook de provincie Groningen een cp-programma uit. 

Commercial bank: in de V.S.: gewone bank, in tegenstelling tot investeringsbank en spaarbank. 

Commissionair(sbedrijf): persoon of organisatie die aan- en verkooporders van effecten uitvoert in opdracht van een klant.  committent,  hoekman(sbedrijf). 

Committent: lastgever, opdrachtgever, commissiegever.  commissionair(sbedrijf). 

Computerkoopprogramma: betere benaming: computer koop-verkoopprogramma.  elektronische vloer,  program-trading. 

Conglomeraat: samensmelting van ongelijksoortige bedrijven (diversificatie). De reden is vaak het kunnen uitoefenen van financiële macht en het kunnen spreiden van risico's. 

Conjunctuur: golfbeweging in de hoogte van het nationaal inkomen als gevolg van veranderende vraagfactoren. 

Conjunctuurbarometer: een statistisch instrument waarmee een omslag in de  economische groeicyclus voortijdig kan worden gesignaleerd. Er zijn twee gangbare methoden: de  diffusiemethode en de  lead-lag methode. 

Connie Lee: (obligatie van) de College Construction Loan Insurance Corporation. 

Consolidatie: het samenvoegen van balansen van zogenaamde moeder- en dochterondernemingen, ter versteviging van de machtspositie op de markt. 

Consortium: tijdelijke samenwerkingsvorm tussen deelgenoten aan een project. Bij voorbeeld: een aantal banken neemt (meestal tegen een lagere koers) een gehele  emissie over. 

Contant dividend cashdividend. 

Contingent: het bedrag waarvoor de geldmarkt partijen in een driemaandelijkse periode gemiddeld per dag een beroep kan doen op de Nederlandsche Bank (DNB) tegen  voorschotrente. Daarnaast is er een overschrijdingszone van toepassing, waarbinnen een beroep op DNB kan worden gedaan tegen de officiële tarieven, maar met de mogelijkheid voor DNB om een extra opslag te heffen. Contingent en overschrijdingszone samen vormen het  toelaatbaar beroep op de bank. 

Contraire beweging: kenmerk van het koersverloop van aandelen. Als de prijzen stijgen neemt de vraag af en het aanbod toe, en omgekeerd. 

Contrarian: iemand die precies het tegenovergestelde doet van wat de grote stroom beleggers doet. 

Controller: bij (Amerikaanse) commissionairs en investeringsbanken de werknemer die ervoor zorgt dat de financiële rapportage van het bedrijf en de klanten wordt opgemaakt volgens de richtlijnen van de overheid. 

Conversie: omwisseling van obligaties in aandelen. 

Converteerbaar: om te zetten in iets anders. Converteerbare obligaties zijn leningen die de houder desgewenst kan omzetten in aandelen. 

Corporate pyramiding: verschijnsel waarbij bedrijven elkaars aandelen bezitten. 

Corporate raider raider. 

Corporate: bedrijfsobligatie, in tegenstelling tot staatsobligatie.  

Coupon: rentebewijs bij obligaties.  dividendbewijs. 

Couponblad: een van de twee delen van een  obligatie. Het couponblad bestaat uit coupons waarmee op de vervaldag de rente kan worden geïnd. Dit geschiedt meestal jaarlijks.  IOPO,  mantel,  splitsing van obligaties. 

Couponrendement: rente van een obligatie. 

Coupures: onderdeel van een obligatielening. Er zijn coupures van verschillende bedragen. Men streeft naar grotere coupures, d.w.z. hogere bedragen. 

Courtage: het bedrag dat een bank of commissionair aan de hoekman betaalt.  commissionair(sbedrijf,  hoekman(sbedrijf),  provisie. 

CP:  commercial-paper lening. 

CPB: Centraal Planbureau. 

CPI: Consumer Price Index. Maandelijks door de Amerikaanse regering gepubliceerde prijsindex.  COLA. 

Crash: beurscrisis; instorting van de koersen. Ook: krach.  Black Monday. 

Creatief boekhouden: frauduleuze bedrijfsvoering. In Engeland: "fiddling with the books"; in Amerika: "cooking the books". 

Credit rating agency: beleggings-adviesbureau. Instellingen als de Amerikaanse Standard & Poor's en Moody's Investors Services geven banken en bedrijven in de V.S. punten voor hun kredietwaardigheid. Deze punten noemt men "ratings". De hoogste rating van Standard & Poor's is AAA (triple A). AA, A en BBB worden als relatief risicoloos beschouwd. Ratings van BB of lager zijn risicovol.  junk bond. 

Crude: ruwe olie.  Brent,  Dubai,  sour crude,  sweet crude WTI. 

Cum: aandeel waar de stock, claim, warrant, bonus, of het dividend nog aan zit.  ex. 

Current ratio: de verhouding tussen de vlottende  activa en de vlottende  passiva, door de tweede grootheid op de eerste te delen.  quick ratio. 
 

D 

Dagorder: aan- of verkooporder die alleen op een bepaalde dag geldig is.  bestensorder,  doorlopende order,  gelimiteerde order,  ruilorder,  stop-loss order,  zonder forceren. 

Daisy chain: lett.: krans van madeliefjes. Groepje beleggers (of handelaren) dat zich bezighoudt met schijnhandel om een nietsvermoedend persoon binnen de "chain" te halen, die vervolgens wordt opgelicht. 

DAX: Deutscher AktienindeX. Index van de beurs van Frankfurt.  index. 

Dealing room: afdeling waar men per telefoon valuta, obligaties en aandelen verhandelt. 

Deep-discount bond: obligatie met een rente beneden de marktrente en een uitgiftekoers sterk beneden de  nominale waarde (97% of lager).  

Deep-in-the-money (call-)optie: optie waarbij de uitoefenprijs duidelijk onder de beurskoers ligt. uitoefenen. 

Deflatie: verhoging van de geldwaarde door vermindering van het aantal in omloop zijnde bankbiljetten. Daling van het algemene prijsniveau.  inflatie. 

Dekken: kopen van aandelen die men eerder heeft verkocht zonder ze in bezit te hebben. Ook: short gaan. 

Delcredere: risico van wanbetaling. 

Delta-hedging: techniek om zich in te dekken. Als men call-opties op aandelen schrijft en dus mogelijk verplicht is om later aandelen te verkopen, dan koopt men in een eerder stadium al een deel van de betreffende aandelen. Als men put-opties schrijft en dus mogelijk verplicht is tot aankoop van aandelen, dan gaat men short, d.w.z. dat men aandelen verkoopt die men nog niet in bezit heeft.  call-optie,  put-optie. 

Deport disagio. 

Deposito: het uitzetten van een som geld voor een van tevoren afgesproken termijn en vergoeding. 

Depressie: economische inzinking. 

Diffusie-indicator: statistisch instrument waarmee men een groot aantal geselecteerde economische gegevens meet die zich als tegenkracht van een  economische groeicyclus aan het ontwikkelen zijn. 

Diffusiemethode diffusie-indicator. 

Disagio: beneden  nominale waarde, beneden  pari. Bedrag dat een waardepapier minder waard is dan de daarop uitgedrukte nominale waarde.  agio. In België: deport. 

Discontopercentage: wanneer de particuliere banken door hun  liquide middelen heenraken moeten ze om hun kredietverlening te kunnen voortzetten, op hun beurt geld lenen bij De Nederlandsche Bank. DNB verstrekt deze leningen op onderpand van wissels of andere waardepapieren. Deze waardepapieren worden "in disconto" genomen, d.w.z. de rente tot de vervaldag wordt van tevoren ingehou­den. Door dit rentepercentage, het discontopercentage, te variëren kan DNB het krediet voor de particuliere banken duurder of goedkoper maken. De particuliere banken berekenen het percentage door, door hun klanten een hogere of lagere rente in rekening te brengen.  wissel. 

Discontolening: lening die beneden  pari wordt aangeboden en later tegen 100% wordt afgelost. De winst bij aflossing is dan de "rente"-vergoeding. 

Discount rate: het tarief waartegen Amerikaanse banken bij de federatieve banken voorschotten kunnen opnemen. 

Dividend: winstaandeel. 

Dividendbelasting: belasting op dividenduitkeringen door binnen Nederland gevestigde N.V.'s en B.V.'s. De belasting (25%) is verschuldigd door de uitkerende vennootschap en wordt op het dividend ingehouden als voorheffing op de inkomstenbelasting.  dividendvrijstelling. 

Dividendbewijs: vergoeding voor aandeelhouders op basis van hun aandelenbezit.  coupon. 

Dividendrendement: in overzichten de dividendraming over het vorig jaar als een percentage van de slotkoers van een bepaalde week in het lopende jaar. 

Dividendvrijstelling: heeft betrekking op de inkomstenbelasting. Van binnenlands dividend blijft de eerste ¦ 1000,- belastingvrij. Voor aangewezen participatiemaatschappijen geldt een extra vrijstelling van ¦ 1000,-. Voor gehuwde belastingplichtigen zijn deze vrijstellingen ¦ 2000,-.  dividendbelasting,  participatiemaatschappij. 

DNB: De Nederlandsche Bank. 

Dood beursstemmingen. 

Doorlopende order: een opdracht voor aan- of verkoop, geldend tot het moment van herroepen. Geldt in de maand van opgave alsmede in de daarop volgende maand.  bestensorder,  gelimiteerde order,  ruilorder,  stop-loss order,  zonder forceren. 

DOT: Designated Order Turnaround. Computergestuurd orderverwerkingssysteem. 

Double witching hour: uur waarop in New York twee optieseries aflopen, hetgeen hectische toestanden veroorzaakt op de effecten­beurs.  triple witching days. 

Dow Jones: Dow Jones Industrial Average index. Ook: Dow. Index van 30 toonaangevende Amerikaanse industriële fondsen. Naast de Dow Jones Industrial kennen we nog de Dow Jones Transport en de Dow Jones Utilities.  index. 

Downgrading: "degradatie" van een fonds. Het fonds wordt minder gewaardeerd dan voorheen.  credit rating agency,  upgrading. 

Drop-dead day: in beleggerskringen gebruikt om de laatste dag aan te duiden waarop een slechte ontwikkeling nog ten goede kan worden gekeerd. 

Dual-currency obligatie: deze lening kenmerkt zich door storting en rentebetaling in eenzelfde valuta en aflossing in een andere valuta. 

Dubai: een mengsel van oliesoorten uit het Midden-Oosten. Dubai is een  sour crude.  Brent,  sweet crude WTI. 

Dubbele sandwich straddle. 

Durfkapitaal risk capital. 

Dynamic hedging futures worden pas verkocht als de aandelenkoersen dalen. Dit zijn transacties die via de computer moeten lopen, omdat die alleen snel genoeg kan reageren.  delta-hedging,  elektronische vloer,  static-hedging. 

Dynamiter: medewerker van een  commissionair(sbedrijf) die zijn (niet ter zake kundige) klanten door zijn "dynamische" manier van doen weet over te halen hun geld in zogenaamde "get rich quick"-fondsen te beleggen. Vaak loopt dit voor hen op een fiasco uit en heeft de dynamiter zijn klanten dus "opgeblazen". 


 

E 
 

E 100: Euro Top 100-index. Index van de Amsterdamse optiebeurs van 100 belangrijke aandelen uit 9 Europese landen. 

ECD: Economische Controledienst. 

Economische groeicyclus: conjunctuurcyclus. Kenteringen op de arbeidsmarkt worden geïnspireerd door veranderingen in de geldsfeer, in de prijzensfeer en in de voorradensfeer. Gezamenlijk bepalen ze de richting van de economische groeicyclus. Professionele beleggers reageren op signalen uit bovengenoemde sferen en passen daar hun beleggingsgedrag aan aan.  conjunctuurbarometer. 

ECU: European Currency Unit. Europese rekeneenheid. In 1978 gecreëerd en gebaseerd op een gewogen gemiddelde van de valuta's van de volgende Europese landen: Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Nederland, België, Spanje, Denemarken, Ierland, Portugal, Griekenland en Luxemburg. Er bestaan obligaties in deze kunstmatige geldsoort.  EMS. 

Effecten: algemene benaming voor waardepapieren die in verscheidene, onderling vervangbare exemplaren zijn uitgegeven. Fondsen, obligaties, certificaten, aandelen, enzovoort. Ook: stukken. 

Effectenhandelaar hoekman(sbedrijf). Handelt in opdracht van effectenmakelaars, maar kan ook voor eigen rekening handelen. In Amerika:  specialist. 

Effectenmakelaar: tussenpersoon in de effectenhandel.  broker,  commissionair,  effectenhandelaar. 

Effectief rendement: de som van het couponrendement en het aflossingsresultaat. Wordt ook "totaalrendement" genoemd. 

Effectieve wisselkoers: de nominale effectieve wisselkoers van een valuta wordt bepaald door weging van valutaveranderingen van handelspartners op basis van bilaterale handelsgewichten. De reële effectieve wisselkoers wordt verkregen door een met dezelfde gewichten gewogen correctie voor inflatieverschillen. Een stijging van de reële index weerspiegelt een verslechtering van de concurrentiepositie van het betrokken land. 

Eigen vermogen: aandelenkapitaal plus reserves. Eigen geld van de onderneming, in tegenstelling tot "vreemd geld" ofte wel: krediet. 

Elektronische vloer: het rechtstreeks tegenover elkaar plaatsen van aan- en verkooporders per computer. Ook: beeldschermenhandel.  arbitrage NASDAQ,  program-trading. 

Emissie: uitgave van effecten, waarbij de gelegenheid wordt geboden om daarop in te schrijven. 

Emissiebank: bank die de uitgegeven aandelen of obligaties overneemt (koopt) van de onderneming en deze vervolgens zelf probeert kwijt te raken. In Nederland zijn de gewone handelsbanken tevens emissiebank.  underwriter. 

Emissieprospectus: een door de  emittent uitgegeven drukwerk waarin onder andere de emissievoorwaarden staan vermeld en belangrijke informatie over het betreffende bedrijf.  red herring. 

Emittent: de onderneming die aandelen of obligaties uitgeeft. 

Emitteren: het uitgeven van aandelen of obligaties. Ook: schrijven. 

EMS: Europees Monetair Systeem. Krachtens afspraken tussen de centrale banken die deelnemen aan het EMS-interventiemechanisme kan het verschil tussen de sterkste en de zwakste EMS-valuta op één moment maximaal 2¼% bedragen. In de tijd is er dus ten hoogste een afwijking van 4½% mogelijk. Alleen voor de Spaanse peseta geldt een bredere band van 6% boven of onder zijn eigen  spilkoers; bij de vaststelling van de zwakste munt wordt de peseta niet in aanmerking genomen.  ECU.  

EMU: Economische en Monetaire Unie. 

EOE: European Options Exchange. Amsterdamse optiebeurs. Eerste optiebeurs van Europa, die eind 1990 haar koperen jubileum vierde. De EOE-index is gebaseerd op de koersen van 20 Nederlandse organisaties. 

Eurobond: lening uitgegeven door ondernemingen of instellingen gevestigd in een ander land dan het land van de valuta waarin de lening luidt. Ook: Eurolening. 

Eurofed: de Europese centrale bank. 

Europese Commissie: dagelijks bestuur van de Europese Gemeenschap (EG). 

EVA-landen: de zes landen die behoren tot de Europese Vrijhandels Associatie: Finland, IJsland, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland. 

Ex: aandeel waar de stock, claim, warrant, bonus of het dividend al af is.  cum. 

F 
 

Falcon: Fixed term Agreement for Long Call Option On existing securities.  Optie of  warrant met een langere looptijd dan normaal (± 5 jaar).  fascon. 

Fallen Angel: hoogwaardige obligatie die door een  credit rating agency is "gedegradeerd" tot  junk bond, meestal i.v.m. ongunstig toekomstperspectief en gebrekkige  liquiditeit van de organisatie. 

Fannie Mae: (hypotheekobligatie van de) Federal National Mortgage Association. De hypotheekobligaties worden "dwarf pools" genoemd omdat ze met een looptijd van 15 jaar en een gemiddelde "leeftijd" van 7 jaar, korter lopen dan de normale hypotheken, die een looptijd van 30 jaar en een gemiddelde "leeftijd" (d.w.z. de periode waarbinnen ze worden afgelost) van 12 jaar hebben. De pools zijn samengestelde hypotheken met een totaalwaarde van ten minste $ 1 miljoen.  pool. 

Fascon: Fixed term Agreement for Short term Call Options On existing securities.  Optie met een langere looptijd dan normaal (± 2 jaar), maar korter dan die van de  Falcon. 

FAZ-index: Frankfurter Allgemeine Zeitung-index; gebaseerd op de koersen van 100 Duitse hoofdfondsen.  index. 

FDIC: Federal Deposit Insurance Corporation. Door de Amerikaanse overheid opgerichte kredietverzekeraar voor het bankwezen. 

FED: Federal Reserve Bank; het stelsel van centrale banken in de V.S.  

Federal funds: kortlopende dagelijks opvraagbare leningen van $ 1 miljoen of meer die Amerikaanse commercial banks elkaar onderling verstrekken.  commercial bank. 

FIBOR: Frankfurt Interbank Offered Rates. Het tarief waartegen Duitse banken deposito's of Eurovaluta aanbieden aan andere binnenlandse banken.  deposito. 

Financial engineering: geld verdienen door deelname aan ingewikkelde en omvangrijke financieringsprojecten. 

Financieel entrepeneur: De financieel entrepeneur zoekt naar speelruimte en nieuwe mogelijkheden en middelen om geld te verdienen. 

Financial Times-indexen FT 100-index FT 500-index FT-SE Eurotrack 100,  index. 

Fixing: middenkoers, die elke beursdag om ± 14.00 uur wordt vastgesteld. 

Flauw beursstemmingen. 

Flippen: aandelen Philips (beursjargon). 

Floor broker: commissionair op de optiebeurs.  commissionair(sbedrijf),  market-maker. 

FMA: Financial Modernisation Act. Wet van 1987 die het mogelijk maakt dat commercial banks in de V.S. via aparte dochters actief worden op de effectenmarkt.  commercial bank,  Glass Steagall Act. 

FOB: Free On Board. Prijs van het produkt plus de kosten van transport tot aan boord van het schip in de haven van inscheping. Behorend tot de leveringsvoorwaarden van de termijnmarkt van goederen en grondstoffen.  CIF. 

Fonds: kapitaal dat d.m.v. aandelenemissies voor een bepaald doel is samengebracht. Op de Amsterdamse effectenbeurs kunnen er dagelijks in 82 hoeken ± 2000 fondsen worden verhandeld. Zo noemt men Koninklijke Olie een "oliefonds", Heineken een "bierfonds", Saatchi & Saatchi een "reclamefonds", Robeco een "beleggersfonds", enzovoort.  hoek. 

Footsie FT 100-index.  

Freddie Mac: (hypotheekobligatie van de) Federal Home Loan Mortgage Corporation. De obligaties worden in verband met hun korte looptijd (15 jaar) ook wel "gnomes" genoemd.  Fannie Mae. 

FRN's: Floating Rate Notes. Ook: floaters. Obligaties met een variabele rente. De debiteur verplicht zich om de rente van de lening na bepaalde tijdstippen aan te passen aan de heersende rente op de geldmarkt. 

Front running: wanneer een  specialist zijn eigen handel voorrang geeft boven die van zijn klanten. 

FT 100-index: Financial Times-index van 100 fondsen. Beursbarometer van Londen. Ook: footsie.  index. 

FT 500-index: Financial Times-index van 500 fondsen. 

FT-SE Eurotrack 100: door de Londense effectenbeurs ontworpen aandelenindex van honderd grote Europese ondernemingen buiten Groot-Brittannië. De aandelen zijn allen genoteerd op de beurs van Londen. De nieuwe index is gecreëerd naar het voorbeeld van de  FT 100-index. 

FTA: Financiële Termijnmarkt Amsterdam. 

Fundamenteel analist: iemand die jaarverslagen en dergelijke van een onderneming onderzoekt om de waarde van de onderneming te kunnen bepalen.  analist,  beleggingsanalist,  technisch analist. 

Fundmanager: iemand die de effectenportefeuille van een grote belegger beheert. 

Futures: termijncontracten; toekomstcontracten.  termijnhandel. 

G
G-7: de groep van ministers van Financiën van de zeven grootste industrielanden ter wereld: V.S., Groot-Brittannië, Japan, West-Duitsland, Frankrijk, Italië en Canada. 
G-24: de groep van 24 ontwikkelingslanden. 
GAO: General Accounting Office. Rekenkamer van het Amerikaanse Congres. 

GATT: General Agreement on Tariffs and Trade. Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel; forum voor internationale handelsvraagstukken. 

Gedaan en bieden: als er GB (gedaan en bieden) achter een koers staat, krijgt men een gedeeltelijke uitvoering bij aankoop. Er is te veel vraag en te weinig aanbod. 

Gedaan en laten: staat er GL (gedaan en laten) achter een koers, dan krijgt men een gedeeltelijke uitvoering bij verkoop. Er is te veel aanbod en te weinig vraag. 

Gedrukt beursstemmingen. 

Geldmarkt: hierop wordt het korte-termijnkrediet verhandeld. Deze kredieten hebben over het algemeen een looptijd tot 1 jaar. De vragers zijn niet alleen de ondernemingen, maar ook de overheid en de gezinshuishoudingen.  kapitaalmarkt. 

Gelimiteerde order: een door de klant opgegeven prijs waarboven niet mag worden gekocht, of waaronder niet mag worden verkocht.  bestensorder,  doorlopende order,  stop-loss order. 

Gestort kapitaal: bedrag dat een aandeelhouder bij de aanvang van een N.V. of B.V. op een aandeel stort. Bij oprichting moet ten minste 10% op ieder aandeel zijn gestort. Bovendien moet het gestorte kapitaal ten minste het wettelijk voorgeschreven minimumkapitaal bedragen.  volstorten. 

Gilt-edged: uitdrukking om aan te geven dat een bepaalde obligatie keer op keer haar betrouwbaarheid heeft bewezen. 

Ginnie Mae: (hypotheekobligatie van de) Government National Mortgage Association. 

Glass Steagall Act: Amerikaanse federale wet die het commercial banks verbiedt zich in te laten met de effectenhandel. De wet heeft echter nogal wat mazen.  commercial bank FMA. 

Gnomes Freddie Mac. 

Goodbye kiss: wanneer een  raider dwarsliggende aandeelhouders meer voor hun aandeel betaalt dan de marktwaarde van dat moment. Bij voorbeeld: de overname van Nationale Nederlanden door NMB-Postbank. De aandeelhouders van NN kregen een "goodbye kiss" doordat NN de prijs van het aandeel met ¦ 6,50 verhoogde.  panty raid. 

Govy: government bond; Amerikaanse staatsobligatie.  corporate,  muni. 

Greenback: (Amerikaanse) dollar. 

Groeifonds: onderneming waarvan een sterke groei wordt verwacht.  fonds. 

GTC: Good till cancelled. Amerikaanse uitdrukking voor  doorlopende order. 

Guichet-emissie: de bank of  commissionair(sbedrijf) stelt zich tegen provisie beschikbaar voor het in ontvangst nemen van inschrijvingen en het doorleiden van deze inschrijvingen naar de kapitaalvrager maar neemt zelf geen risico/verantwoordelijkheid en schrijft ook zelf niet op de  emissie in. 

Gun jumping: het aankopen van effecten op basis van voorkennis.  handel met voorkennis. 

H 

Halfkaal schrijven: een  call-optie afgeven en daarmee de verplichting op zich nemen bepaalde stukken te leveren die men nog maar voor de helft in huis heeft. 

Handel met voorkennis: gebruik maken van vertrouwelijke informatie waarover men uit hoofde van zijn beroep/functie beschikt, om zich ten koste van anderen te verrijken op de beurs. Strafbaar.  gun jumping. 

Hausse, haussemarkt, hausseperiode: langere tijd van koersstijgingen. Ook bull-market, of stierenmarkt.  à la hausse.  

Haussestemming: groot optimisme. 

Haussier: iemand die speculeert op een koersstijging.  baissier,  beren,  stieren. 

Headhunter: "koppensneller". Iemand die er zijn beroep van maakt personen te zoeken voor topfuncties.  

Hedging: het beperken van prijsrisico's via termijntransacties.  delta-hedging,  dynamic-hedging,  program-trading,  static-hedging. 

Hefboomeffect: het verschijnsel dat het verschil tussen de rentabiliteit van het totaalvermogen en de rentabiliteit van het vast rentend vermogen ten goede of ten laste komt van de  rentabiliteit van het eigen vermogen.  

Hele lening: lening die rechtstreeks aan de gebruiker wordt verstrekt, in tegenstelling tot obligatie. Maakt geen deel uit van een  pool. Ook: whole loan. 

Herplaatser: iemand die op zijn beurt een deel van een  emissie overneemt die een emissiebank al van het bedrijf had overgenomen. 

Hoek: gedeelte van de beurs dat is toegewezen aan de handel in bepaalde fondsen, bij voorbeeld de "oliehoek". Op de Amsterdamse effectenbeurs zijn in totaal 82 hoeken voor de circa 2000 fondsen die dagelijks op de beurs kunnen worden verhandeld. Alle genoteerde fondsen hebben een vaste plaats van verhandeling, hun hoek.  fonds.  

Hoekman(sbedrijf): lid van de Amsterdamse effectenbeurs die de prijzen van de aandelen bepaalt. Na de overname van Arend & Co werd het hoekmansbedrijf Van der Moolen Holding per 1 januari 1991 het grootste hoekmansbedrijf op de Amsterdamse effectenbeurs.  commissionair(sbedrijf),  specialist. 

Holding company: een bedrijf dat andere bedrijven onder controle heeft omdat het 50% of meer van de aandelen van die bedrijven in bezit heeft. 

Hoofdfonds fonds waarvan de meeste aandelen in omloop zijn. De grootste zijn Koninklijke Olie, Unilever en Philips.  angel, blue chip,  fallen angel. 

Hoogconjunctuur: gunstige toestand in handel en bedrijf. Bestedingen nemen toe, de effectieve vraag wordt groter. 

HOS: Handel Ondersteunend Systeem. Intern net van de Amsterdamse effectenbeurs. 

I
ICCO: Internationale Cacao Organisatie. 
ICO: Internationale Koffie Organisatie. 
IDB: Interdealer broker. Britse benaming voor tussenpersoon die transacties bewerkstelligt tussen beleggers en effectenbanken. In Amerika wordt zo iemand "broker's broker" genoemd. De anonimiteit van beide partijen is gewaarborgd en de broker krijgt een honorarium voor zijn bemiddeling. 

IEA: Internationaal Energie Agentschap te Parijs. Organisatie waarin 21 westerse landen verenigd zijn. 

IMF: Internationale Monetaire Fonds. In 1947 opgericht door de Verenigde Naties om internationale samenwerking op financieel gebied te bewerkstelligen. Het hoofdkantoor van het IMF is gevestigd te Washington (V.S.). 

Incentives: 1. Een extraatje voor de institutionele belegger dat deze verwerft bij de verstrekking van een onderhandse lening aan een geldnemer die er anders niet in zou zijn geslaagd zijn behoeften op de juiste wijze te dekken. 2. Aandelen met gunstige secundaire voorwaarden. Als aandeelhouder in een Britse elektriciteitsmaatschappij kan men bij voorbeeld tegen gereduceerd tarief elektriciteit afnemen. 

Incourante effecten: effecten die niet op de beurs worden verhandeld. 

In de wind: speculeren op een koersdaling door stukken te verkopen die men nog niet heeft, in de hoop deze tegen leveringstijd goedkoper te kunnen inkopen. Ook: short gaan. 

Index: koersgemiddelde van een aantal fondsen. Enkele belangrijke indexen zijn: CBS-koersindex, CBS-stemmingsindex (Amsterdam); Nikkei (Tokio); DAX (Frankfurt); Agefi, CAC-40 (Parijs); FT 100, FT 500 (Londen); EOE-aandelenindex (Amsterdam); Dow Jones, Standard & Poor's, Moody's, NYSE (New York). Minder belangrijk zijn: Banca Commerciale (Milaan); Crédit Suisse, Swiss Market (Zwitserland); All Ordinary Index (Sydney); CLBN-index parallelmarkt (Amsterdam).  fonds. 

Indexarbitrage: vorm van  program-trading. Computergestuurde handel. De computer spoort de koersverschillen op en kan binnen enkele seconden de transactie doen afsluiten. De markten verschillen meestal slechts marginaal.  portfolio insurance.  

Indexlening indexobligatie.  

Indexobligatie: deze obligatie heeft een rente-uitkering en/of aflossing die gebaseerd is op de ontwikkeling van een bepaald indexcijfer. De hoofdsom en/of rente kan dus periodiek worden aangepast aan de inflatie.  

Index of leading indicators: barometer voor de Amerikaanse economie.  Leading Economic Indicators,  lead-lag methode.  

Inflatie: geldontwaarding. Het verschijnsel dat men met een bepaald geldbedrag minder kan kopen dan voorheen.  

Inflatoire druk: druk veroorzaakt door een  inflatie.  

Inkomstenobligatie: obligatie waarvan de rentebetaling volledig afhankelijk is van de bedrijfsresultaten. Meestal worden deze obligaties uitgegeven na een financiële reorganisatie van een onderneming.  

In portefeuille: effecten die men nog niet heeft geëmitteerd, dus nog in eigen bezit heeft.  emissie.  

Inschrijver: partij die geïnteresseerd is in een  emissie en dat toont door een gedeelte van de  nominale waarde te storten.  volstorten.  

Insider trading handel met voorkennis.  

Institutionele belegger: meestal een spaarbank, verzekeringsmaatschappij of pensioenfonds. In Amerika iedereen die $ 100 miljoen of meer te beleggen heeft.  

Integrale beleggingscyclus: beleggingsstrategie waarbij de belegger zich niet beperkt tot één beleggingsvorm, maar alle beleggingsmarkten tot zijn terrein rekent. Op deze wijze maakt hij optimaal gebruik van de wisselende kansen die de beleggingsmarkten in de loop van de  economische groeicyclus bieden.   

Interbancaire Eurodeposito deposito geplaatst bij een bankkantoor door een andere bank, waarbij een van beide partijen of beide partijen niet-ingezetene zijn van het land van de valuta waarin het deposito luidt.  

Interdealer broker  IDB.  

Interimdividend: tussentijdse winstuitkering.  

International: onderneming die op internationale markten actief is, bij voorbeeld Akzo, Hoogovens, KLM, en Philips.  

In the money-optie optie die realisatiewaarde heeft en dus uitgeoefend kan worden. Is duurder omdat men voor deze realisatiewaarde volledig moet betalen. Men gaat bij een stijging direct profiteren, maar loopt het risico van een daling.  out of the money-optie,  uitoefenen.  

Intrinsieke waarde: theoretische waarde van een aandeel, gebaseerd op de waarde van de bezittingen van een onderneming minus haar schulden.  nominale waarde.  

Investment bank emissiebank en  effectenhandelaar. Financiert en adviseert bij de aan- en verkoop van bedrijven.  

IOPO: Interest Only/Principle Only. Obligatie die gesplitst is in een zogenaamd manteldeel en coupondeel, deze zijn afzonderlijk verhandelbaar.  couponblad,  mantel,  nulcouponobligatie,  splitsing van obligaties,  strips. 

IPE: International Petroleum Exchange. Olietermijnmarkt te Londen. 

J
Jacuzzi loan: zeer riskante lening, zonder onderpand. 
J-curve effect: naijleffect. Begrip van de valutamarkt. Als de wisselkoers daalt, reageren de prijzen onmiddellijk zodat de invoer duurder wordt en de uitvoer goedkoper. De volumes van in- en uitvoer reageren pas na verloop van tijd, waardoor de uitvoer in eerste instantie minder dollars oplevert en de invoer juist meer kost. Het handelstekort daalt in eerste instantie niet, maar stijgt. 
Jewish dentist defense: een methode om een ongewenste overname te voorkomen. Toen Sterndent, een fabrikant en groothandel van tandartsbenodigdheden, dreigde te worden overgenomen door het Koeweitse concern Magus, liet de joodse advocaat van het bedrijf klanten en toeleveringsbedrijven opdraven om te verklaren dat men niet wilde dat Sterndent in Arabische handen zou vallen. Daarop trok Magus zich terug. 

Joint venture: gemeenschappelijke onderneming. Project van meerdere organisaties die zich daartoe hebben verenigd in een afzonderlijke organisatie. 

Junk bond: hoogrentende, risicovolle obligatie. Wordt zo genoemd omdat de kwaliteit beneden de waarderingsstandaard voor obligaties van de credit rating agency's ligt, dat wil zeggen lager worden gewaardeerd dan BB.  credit rating agency. 

K
Kaal schrijven: een  call-optie verkopen en daarmee de verplichting op zich nemend tot verkoop van stukken die men (nog) niet heeft. Ook: "naakt schrijven" of "ongedekt schrijven".  halfkaal schrijven. 
Kaffers: Wall Street jargon voor aandelen van Zuidafrikaanse mijnen. 
Kangoeroes: Australische aandelen in het algemeen. 

Kapitaalmarkt: markt waar het langlopend krediet wordt verhandeld. De banken zijn hier zowel aanbieder als vrager. De  institutionele belegger neemt een belangrijke rol in op de kapitaalmarkt.  geldmarkt. 

Kapitaalobligatie: deze obligaties worden veelal uitgegeven door banken, omdat De Nederlandsche Bank bereid is de obligaties als bedrijfseconomische buffer te beschouwen. De obligatiehouders worden pas betaald nadat aan alle andere verplichtingen is voldaan.  achtergesteld. 

Kapitaalrendement: winst plus rente gedeeld door het geïnvesteerde vermogen. 

Kapitaalvlucht: het opnemen van de tegoeden op de bank, dit geld over de grens brengen en daar storten op een buitenlandse bank.  

Kapitalisme: stelsel waarbij de produktiemiddelen in bezit zijn van het particuliere kapitaal, dat daardoor een overheersende maatschappelijke positie inneemt. 

Kasreserverekeningen: methode van De Nederlandsche Bank om de  geldmarkt in bedwang te houden. 

Kettingverkoop: elkaar snel opvolgende koop- en verkooptransacties. 

Koers: de verkeerswaarde van een effect, bij voorbeeld de marktrente ten opzichte van de opbrengstvergoeding, of de  beurswaarde ten opzichte van de  nominale waarde. 

Koersreactie: prijsdaling die optreedt na een periode van koersstijging. Vaak als gevolg van het verkopen van  stukken door degenen die hun koerswinst willen nemen. 

Koers-dividendverhouding: prijs van een aandeel, gedeeld door de winst die erop is uitgekeerd. 

Koersfluctuaties: het op en neer gaan van de koersen. 

Koers-winstverhouding: prijs van een aandeel, gedeeld door de nettowinst van de onderneming, of die nu is uitgekeerd of niet. Ook wel: de slotkoers van een week gedeeld door de winstraming over het lopende jaar. 

Kort gaan: het verkopen van stukken die men nog niet in bezit heeft. Ook: short gaan.  in de wind. 

Kort vermogen (vreemd): lening met een looptijd tot tien jaar.  lang vermogen (vreemd). 

Krach: beurscrisis. Instorting van de koersen. Ook: crash. 

Kriegsglück: lett.: oorlogsgeluk. Uitdrukking die voornamelijk op Duitse beurzen wordt gebezigd. Slaat op een  hausse ten gevolge van de Golfoorlog. 

K-stukken: traditionele obligaties met een coupon- of dividendblad.  CF-stukken,  coupon,  dividend. 

L
Laatprijs: geen notering, te veel aanbod.  biedprijs,  gedaan en bieden. 
Laissez-faire: economische theorie volgens welke de overheid zich zo min mogelijk met economische zaken zou moeten bezighouden. 
Lang vermogen (vreemd): lening met een looptijd van langer dan tien jaar, bij voorbeeld een obligatielening of een hypotheek.  kort vermogen (vreemd). 

Laten laatprijs. 

LBO leveraged buy-out MBO. 

Leading Economic Indicators: een "mandje" van economische indexen die de toekomst van met name de Amerikaanse markten moet voorspellen. 

Leading indicators lead-lag methode. 

Lead-lag methode: met deze methode probeert men maandelijks de gemiddelde waarde van een groot aantal geselecteerde gegevens vast te stellen. De gegevens moeten een beeld verschaffen van de wijze waarop en de mate waarin een  economische groeicyclus van richting verandert. In Amerika noemt men deze gegevens "leading indicators". Wanneer verschillende leading indicators worden gemiddeld, spreekt men van een  samengestelde leading indicator. De Amerikaanse "index of leading indicators" bestaat uit elf indicatoren die op korte termijn een beeld geven van de te verwachten economische ontwikkelingen in de V.S.  

Leveraged buy-out (LBO): uitkoop met geleend geld. Een effectenbank verstrekt het management op basis van de geschatte waarde van het bedrijf een bruglening om de verzelfstandiging te financieren.  MBO. 

LIBOR: Londen Interbank Offered Rate. De basisrente die banken op de euromarkt onderling voor deposito's hanteren, of het tarief waartegen Britse banken deposito's in dollars of eurovaluta aanbieden aan andere binnenlandse banken.  deposito TED-spread. 

Limit-down: de laagste notering waarbij nog in effecten wordt gehandeld. Wanneer de koers nog verder zakt, wordt de handel stilgelegd. De limits worden dagelijks vastgesteld naar aanleiding van de beursnoteringen van de vorige dag.  limit-up. 

Limit-up: tegenovergestelde van  limit-down. 

Liquide middelen: onder andere het eigen geld in kas en op de bank. 

Liquiditeit: de mate waarin de onderneming op korte termijn aan de vervallen of opeisbare verplichtingen kan voldoen.  solvabiliteit. 

Lollipop: Wall Street jargon voor een sukkel, dat wil zeggen iemand die alles koopt, als er maar een goed verhaal aan vast zit. Het zal duidelijk zijn dat lollipops vaak en veel geld verliezen. 

Lombardtarief: tarief dat de banken in rekening wordt gebracht wanneer ze bij de nationale (centrale) bank geld lenen met waardepapieren als onderpand. Ook: voorschotrente. 

Lufthansa-syndicaat: benaming voor een groepje effectenbankiers dat naar het buitenland vliegt om er snel te profiteren van bepaalde gunstige omstandigheden, de winst opstrijkt en onmiddellijk daarna terugvliegt. 

Lui beursstemmingen. 

M
 Ma Bell: American Telephone & Telegraph (AT&T), de grootste telefoonmaatschappij in de V.S. "Baby Bell's" zijn: Bell Atlantic, Ameritech, NYNEX, Pacific Telesis, BellSouth, U.S.West en Southwestern Bell. 
Macaroni defense: middel van bedrijven om zich te verdedigen tegen een ongewenste overname. Men geeft obligaties uit die in geval van een ongewenste overname een hogere inlossingswaarde hebben dan normaal. Dit "uitzetten" kan worden vergeleken met het uitzetten van macaroni wanneer het wordt gekookt.  people pill,  raider. 
Majoreren overtekenen. 

Malign neglect: opzettelijke veronachtzaming. 

Managed decline: geleide(lijke) daling van de dollarkoers. 

Manipuleren: kunstgrepen toepassen die de beurs in een bepaalde richting moeten beïnvloeden. 

Mantel: een van de twee delen van een  obligatie. De mantel is het bewijsstuk waarop staat dat zij het deel van de geldlening is dat recht geeft op de hoofdsom. Aan de mantel zit een  couponblad, dat recht geeft op de rente.  bloot eigendom,  IOPO,  nulcouponobligatie,  splitsing van obligaties,  strips. 

Margin call: door verkopers van call-opties gevreesde maatregel van de bank bij een scherpe koersstijging. (Of door verkopers van put-opties bij een scherpe koersdaling.) De bank eist aanvullende zekerheid.  call-optie,  put-optie. 

Market maker hoekman(sbedrijf) op de optiebeurs.  floor broker. 

Maturity vervaldatum. 

MBI: Management Buy In. In Groot-Brittannië: venture capital investment. Een groep investeerders belegt geld in een relatief jonge onderneming en laat op deze wijze haar vertrouwen in het huidige management blijken. Soms koopt de groep ook de aandelen op van tot dusver ontevreden aandeelhouders om "rust in de tent" te krijgen. 

MBO: Management Buy-out. Britse benaming voor  LBO; uitkoop van de huidige aandeelhouders door het huidige management, met geleend geld. 

Mean price: de gangbare prijs, vaak het gemiddelde van de vraagprijs en de geboden prijs. Soms ook "marktprijs" of "middle price" genoemd. 

Merchant bank: Brits equivalent van de Amerikaanse  "commercial bank". In Nederland te vergelijken met een "gewone" bank. Het verschil tussen de Britse merchant bank en de Amerikaanse commercial bank is dat de merchant bank wel als emissiebank voor het bedrijfsleven mag werken, maar de commercial bank niet.  

Merger-mania: lett.: fusie-manie. 

MEV: macro-economische verkenning. Verschijnt samen met de rijksbegroting in september. 

MIG: Moody's Investment Grade. "Ratings" voor kortlopende obligaties, variërend van MIG 1 voor de hoogste kwaliteit, tot MIG 4 voor "voldoende" kwaliteit.  credit rating agency,  Moody's.  

MIP: Maatschappij voor Industriële Projecten. Initiatief van de overheid. 

Misbruik van voorwetenschap handel met voorkennis. 

MMI: Major Market Index. Index van 20 Amerikaanse hoofdfondsen.  hoofdfonds. 

Modelcode: document waarin o.a. het verbod op handelen door personen die over voorkennis kunnen beschikken is vastgelegd.  handel met voorkennis. 

MPT moderne portefeuille theorie. 

Moderne portefeuille theorie (MPT): in de jaren vijftig ontwikkelde theorie over spreiding van beleggingsrisico's. "De belegger moet niet al zijn eieren in het zelfde mandje leggen." Grondleggers van de MPT zijn de Amerikaanse economen Harry Markowitz, Merton Miller en William Sharpe, die daarvoor in 1990 de Nobelprijs voor de economie kregen. 

Monetarist: aanhanger van de theorie dat de overheidsbemoeienis met de economie beperkt moet blijven tot het beheersen van de geldstroom. De bekendste aanhanger van deze theorie is Nobelprijswinnaar Milton Friedman. Tijdens een  recessie zal een monetarist de geldstroom willen manipuleren, terwijl een aanhanger van Keynes meer heil zal zien in een toename van de overheidsbestedingen.  

Monetary base: grafiek die het aanbod van geld weergeeft. 

Moody's: Moody's Investors Service, een  credit rating agency in de V.S.  MIG. 

Muni: municipal. Amerikaanse gemeente-obligatie.  govy,  corporate. 

Mutaties: veranderingen. Actief aan- en verkoopbeleid op de beurs. 

Mutual funds unit trust. 

N
Naakt schrijven kaal schrijven. 
NAPM-index: peiling onder topfunctionarissen in het Amerikaanse bedrijfsleven hoe zij de economische ontwikkeling beoordelen. 
NASDAQ: National Association of Security Dealers Automated Quotations. Elektronische (beurs)vloer van New York. De NASDAQ kent drie soorten "abonnementen": Level I service: biedt de mogelijkheid de hoogste aanbod- en laagste vraagprijzen van op de NASDAQ verhandelde effecten op een beeldscherm te zien; Level II service: biedt de zelfde mogelijkheden als level I, maar laat àlle transacties zien, alsmede de namen van de market-makers. Alleen voor NASDAQ-leden en institutionele beleggers; Level III service: biedt de zelfde mogelijkheden als level II, maar biedt geregistreerde market-makers ook de mogelijkheid rechtstreeks via het beeldscherm te handelen. Level III service is daarom de eigenlijke elektronische vloer.  elektronische vloer,  institutionele belegger,  market-maker,  over the counter. 

NCM: Nederlandse Credietverzekerings Maatschappij. Particuliere maatschappij die in opdracht van de overheid betalingsrisico's van Nederlandse bedrijven verzekert. 

Negicef: Nederlands centraal instituut voor giraal effectenverkeer. Wat de Bankgirocentrale is voor het girale geldverkeer, is het Negicef voor het girale effectenverkeer. Zusterorganisatie van  Niec. 

Nettohandel: handel in pakketten aandelen groter dan 1 miljoen gulden en in pakketten obligaties groter dan 2,5 miljoen gulden, waarvoor de vaste provisies zijn afgeschaft. In de praktijk is dit handel tussen grote beleggers, banken en commissionairs onderling.  open orderboek handelssysteem;  pool. 

NIB: Nationale Investeringsbank. Initiatief van de overheid. 

NIEC: Nederlands Interprofessioneel Effectencentrum. Zusterorganisatie van het  Negicef. 

Nikkei: Nikkei Stock Index. Index van 225 hoofdaandelen die genoteerd staan op de beurs van Tokio.  index. 

Nominale waarde: waarde zoals die staat aangegeven op een waardepapier. In haussetijden ligt de beurswaarde meestal hoger dan de nominale waarde. 

Noodlijdend: niet, of niet geregeld rente betalend. 

Note issuance facility: overeenkomst waarbij de bank garandeert dat het uitgegeven papier ook wordt afgezet.  emissie. 

Notes: kortlopende Amerikaanse staatsobligaties; schatkistbiljetten en -promessen. 

Not negotiable: niet verhandelbaar. Staat vermeld op een  wissel om het stuk niet verhandelbaar te laten zijn. De wissel kan slechts betaalbaar worden gesteld aan de persoon op wiens naam de wissel staat. 

NOVOK: Nederlandse Organisatie van Olie- en Kolenhandelaren. Bij de NOVOK zijn 300 vrije oliehandelaren aangesloten die samen 2000 van de in totaal 7500 benzinepompen in ons land in handen hebben. Dit zijn de zogenaamde "vrije -" of "witte" pompen. 

NPM: Nederlandse Participatiemaatschappij. De aandeelhouders van de NPM zijn ± 30 grote banken en verzekeringsmaatschappijen. Sinds in 1987 is begonnen met het uitgeven van certificaten is 20% van de aandelen in handen van particulieren gekomen.  certificaat. 

Nulcouponobligatie obligatie zonder  coupon, wil zeggen dat er geen jaarlijkse rente op wordt ontvangen. Het  rendement wordt verkregen uit het verschil tussen de uitgiftekoers (royaal onder de 100%) en de latere aflossingskoers (meestal 100%). Dit verschil is aan het einde van de looptijd belastbaar voor de inkomstenbelasting. Ook: zerobonds of zero's.  bloot eigendom IOPO,  mantel,  split­sing van obligaties,  strips. 

NVB: Nederlandse Vereniging van Banken. 

NVE: Nederlandse Vereniging van Ondernemingen in de Energiebranche. 

NYMEX: New York Mercantile Exchange. Voornamelijk een olietermijnmarkt. 

NYSE: New York Stock Exchange. Grootste en oudste beurs van Amerika, opgericht in 1792. In het algemeen wordt er slechts in aandelen van grote organisaties gehandeld. Er zijn 23 hoeken. In elke hoek worden honderd of meer aandelen verhandeld. De NYSE heeft meer dan 1300 leden, die worden bestuurd door de Board of Governors.  hoek,  index,  specialist. 

O
Obligatie: verplichting; schuldbekentenis van een organisatie die, in tegenstelling tot een lening van de bank, als effect verhandelbaar is. De obligatie bestaat gewoonlijk uit een  mantel en een  couponblad. Ook: obligatielening. 
Obligatiehouder: eigenaar van een  obligatie. De obligatiehouder heeft gewoonlijk recht op: Rente over het nominale bedrag van de obligatie tegen een bij de leningvoorwaarden vastgesteld percentage; uitbetaling van het nominale bedrag van de obligatie wanneer deze op het bij de leningvoorwaarden geregeld tijdstip moet worden afgelost. 
Obligatiekoersen: de prijs van een obligatie beweegt zich omgekeerd evenredig aan de renteontwikkeling. Stijgt de rente, dan dalen de obligatiekoersen; daalt de rente, dan stijgen de obligatiekoersen. 

Obligatie- of aandelenregister: (V.S., Groot-Brittannië, Japan) register waarin elke transactie met obligaties of aandelen wordt bijgewerkt, omdat de  stukken op naam van de houder staan. 

OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. "Denktank" van 24 rijke industrielanden. 

Off-hour trading: computerhandel op de effectenbeurs van New York, tot een uur na de slotnoteringen. 

Officiële callrente: een dagelijks door een commissie van vijf banken vastgesteld rentetarief dat als regel ¼ procentpunt onder de  voorschotrente ligt. 

Officiële Prijscourant: de krant van de Vereniging voor de Effectenhandel waarin elke beursdag alle koersen van de tot de officiële en onofficiële notering toegelaten binnenlandse effecten, waaronder opties, worden vermeld. 

Offshore banking: het verstrekken van kredieten aan niet-lokale bedrijven, bij voorbeeld multinationals. 

Old Lady: the Bank of England, de centrale bank van Groot-Brittannië. Ook: "the Old Lady of Threadneedle Street". 

Oligarchische clausule: clausule in de statuten van een N.V. of B.V., waardoor bijzondere bevoegdheden in het vennootschap worden toegekend aan bepaalde aandeelhouders, bij voorbeeld houders van aandelen met beheerspreferenties. De  algemene vergadering van aandeelhouders is bij de keuze van directeuren bij een dergelijke clausule meestal gebonden aan een door bepaalde aandeelhouders opgemaakte voordracht.   prioriteitsaandeel. 

Oligopolie: situatie op een markt met weinig verkopers en veel kopers, waarbij elk van de producenten in staat is om de markt te beïnvloeden, maar niet om de reactie van de concurrent heen kan. 

Onderhands: niet-openbaar. Bij een onderhandse lening wordt er geen beroep gedaan op de openbare  kapitaalmarkt via een  emissie. Onderhandse leningen vormen de grootste beleggerspost bij de Nederlandse  institutionele belegger. 

Onderliggende waarde: datgene waarop een  optie is gebaseerd. De onderliggende waarde van een optie Heineken is een aandeel Heineken. 

Onderpand: iets dat tot zekerheid moet dienen van een bankkrediet. Aandelen kunnen in onderpand worden genomen voor een effectenkrediet. 

Onderschrijver underwriter. 

Ongedekt schrijven kaal schrijven. 

OPEC: Organization of Petroleum Exporting Countries. 

Open-end fonds beleggingsfonds dat zelf effecten kan in- en verkopen.  

Open orderboek handelssysteem: regels die o.a. bepalen dat professionele handel mogelijk is vanaf een transactie met een bepaalde omvang. In een open orderboek brengen de klanten zelf hun koersen in.  nettohandel. 

Open outcry: schreeuwen; vereiste voor de handel op de (optie)beurs. 

Opschorten van de notering strafbankje. 

Opslagrente: extra heffing op de debetstand van de rekening-courant. 

Optie: het recht om binnen een afgesproken periode en tegen een afgesproken prijs aandelen te kopen of verkopen. De looptijd van dit recht is betrekkelijk kort; meestal 3, 6 of maximaal 9 maanden. De tegenpartij van de opties is de markt, de verkoper van de optie, die hiervoor als betaling de wisselende prijs van de optie ontvangt. De optiebeurs staat in Nederland los van de effectenbeurs.  call-optie,  onderliggende waarde,  put-optie. 

Optiehouder: eigenaar van een  optie. 

Optiepremie: wat de schrijver (afgever) van de optie ontvangt voor het verlenen van een aan- of verkooprecht. 

Option cycles: drie cycli van vervaldata van bepaalde opties: JAJO: januari, april, juli, oktober; FMAN: februari, mei, augustus, novem­ber; MJSD: maart, juni, september, december. 

OTC over the counter. 

Ounce: eigenlijk "troy ounce": 31,10348 gram. Gewicht dat voornamelijk wordt gebruikt om goud mee te wegen. 

Out of the money-optie optie die negatief resultaat zou opleveren bij uitoefening. Een  call-optie van 50 levert negatief resultaat op wanneer de  onderliggende waarde van de effecten op 49_ of lager staan, en een  put-optie van 50 levert negatief resultaat op wanneer de onderliggende effecten op 50_ of hoger staan.  in the money-optie. 

Overhead: managementskosten die niet direct tot de produktiekosten kunnen worden gerekend.  

Overtekenen: er wordt voor een veel hoger bedrag op een  emissie ingeschreven dan de  emittent wenst op te nemen. 

Over the counter: over de toonbank. 1. Benaming voor effectenhandel die niet op de beurs plaatsvindt; 2. Effectenhandel via de telefoon of de telex, in plaats van op de eigenlijke beursvloer; 3. Incourante markt in het buitenland.  NASDAQ,  toonbanksysteem. 

Overval: ongewenste overname van een bedrijf door middel van inkoop van aandelen op de beurs.  raider. 

P
Pale blue chip: aandelen dat op weg zijn  blue chip te worden. Ook: "second tier stocks". 
Pandbrief: door een hypotheekbank uitgegeven obligatie. Dit papier geeft in tegenstelling tot hetgeen de naam doet vermoeden geen enkele extra zekerheid op het onroerend goed waartegen de bank een hypothecaire lening heeft verstrekt. De opbrengst wordt echter wel voor de financiering van hypotheken aangewend. 
Panty raid: laag bod op een bedrijf door een  raider. Een dergelijk laag bod wordt vaak gevolgd door een redelijker bod, o.a. om de stemming onder de aandeelhouders te verbeteren.  goodbye kiss. 

Parallelmarkt: kent minder strenge voorwaarden dan de gewone effectenbeurs. Relatief kleine en middelgrote ondernemingen kunnen de eerste stappen zetten naar meer bekendheid bij de beleggers. De parallelmarkt is een "wachtkamerbeurs" voor ondernemingen die nog te jong of te klein zijn voor de effectenbeurs. De aandelen worden verhandeld op de effectenbeurs; er is geen aparte vloer voor de parallelmarkt.  

Pari: bij een notering van 100% is er sprake van een parikoers; à pari betekent: tegen de  nominale waarde.  agio,  disagio. 

Participatiemaatschappij: organisatie die deelneemt in het eigen vermogen van vooral jonge ondernemingen, en die haar deelneming na de aanlooptijd winstgevend probeert te verkopen. 

Passiva: de schulden en het eigen vermogen van een onderneming, voorkomend op de creditzijde van de balans.  activa. 

Payout-percentage: het percentuele deel van de nettowinst dat voor dividenduitkering wordt bestemd.  dividend. 

Penny stocks: goedkope, risicovolle effecten. 

People pill: middel om een bedrijf te beschermen tegen een ongewenste overname. Het management dreigt massaal op te stappen wanneer het bedrijf door deze  raider wordt overgenomen, zodat het bedrijf stuurloos wordt.  Jewish dentist defense,  macaroni defense. 

Perpetuele lening: eeuwigdurende lening. 

Plastic bonds: obligaties van organisaties als VISA en MasterCard. Bij de Citibank noemt men deze obligaties "Citi Credit Card Trusts"; bij Salomon Brothers heten ze "Cards". 

Platt's notering: lijst met richtprijzen van olieprodukten als benzine, diesel en huisbrandolie. De notering, met prijzen die vastgesteld zijn op basis van de wereldhandel, wordt opgesteld in New York en komt iedere ochtend rond 8 uur binnen bij de oliemaatschappijen. De Platt's notering heeft een grote invloed op de prijzen van de produkten aan de pomp.  sour crude,  sweet crude.  

Pool: een bundel schuldbekentenissen in de vorm van een obligatie. Bij voorbeeld: 50 hypotheken van elk $ 20.000 in de vorm van één obligatie van $ 1 miljoen.  Fannie Mae,  nettohandel. 

Portfolio insurance: verkoop van  futures waarmee de  institutionele belegger zijn aandelenbezit tegen een koersval tracht te beschermen. De aandelen zelf blijven behouden, maar ze worden op termijn verkocht. Wanneer de koersen op de expiratiedatum zijn gedaald is de opbrengst hoger dan de actuele koers. Door de aandelen die men op de termijnmarkt verkoopt onmiddellijk op de aandelenbeurs terug te kopen, blijft de aandelenportefeuille behouden en dient de winst van de termijnhandel als compensatie voor het koersverlies.  indexarbitrage,  program-trading. 

Positie afbouwen: de hoekman zorgt ervoor dat hij de stukken die hij "op zijn boekje" heeft staan kwijtraakt.  hoekman(sbedrijf). 

Positie innemen: de hoekman sluit transacties voor eigen rekening en risico af; hetzij om winst te maken, hetzij om vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen. Hij neemt de aandelen "op zijn boekje".  hoekman(sbedrijf). 

PPM: Particuliere Participatiemaatschappij. 

Preferente aandelen: aandelen waaraan voorrechten zijn verbonden m.b.t. de winstdeling of de benoeming van bestuursleden. Het bestuur van een onderneming kan met dergelijke aandelen bij voorbeeld een grote stemmenmacht op de been brengen. Soms hoeft op het aandeel maar een kwart van de  nominale waarde te worden gestort. Preferente aandelen kunnen  converteerbaar zijn, of opzegbaar. "Opzegbaar" betekent dat het bedrijf de uitstaande preferente aandelen tegen een vooraf vastgesteld bedrag kan terugkopen. Ook: prefs.  

Premie-obligatie: van dergelijke obligaties wordt maar een klein deel van het  couponrendement uitgekeerd. De niet-uitbetaalde rente van de in omloop zijnde obligaties zal onder bepaalde voorwaarden worden verloot. 

Prijshoudend beursstemmingen. 

Prime rate: de rente die de Amerikaanse banken hun meest kredietwaardige en trouwe klanten in rekening brengen. 

Prioriteitsaandeel: aandeel waaraan bepaalde voorrechten zijn verbonden, o.a. met betrekking tot de benoeming van directie en commissarissen. Ook: prior.  oligarchische clausule. 

Private placement: onderhandse plaatsing. Het uitgeven van een  emissieprospectus is in dit geval niet wettelijk verplicht. 

Program-trading: computergestuurde effectenhandel op basis van programma's die winstmogelijkheden opsporen. Er zijn twee vormen van program-trading: 1.  indexarbitrage 2.  portfolio insurance. De methode is de laatste tijd nogal in opspraak. 

Prolongatiekoers: het tarief dat geldt voor voorschotten op onderpand van effecten. 

Promessedisconto: cijfer waarop de banken de rente baseren die zij bedrijven in rekening brengen. 

Prospectus emissieprospectus. 

Provisie: commissie; bedrag dat de klant betaalt aan commissionair en  hoekman(sbedrijf) voor het uitvoeren van een aan- en verkooporder.  courtage. 

Put-optie optie waarbij men het recht heeft gedurende een van tevoren vastgestelde termijn bepaalde effecten te verkopen.  call-optie. 

Q
Quick ratio liquide middelen plus debiteuren gedeeld door  kort vreemd vermogen.  current ratio. 
R
Raccoon: lett.: wasbeer. Een  analist die zich slechts met kwantitatieve gegevens bezighoudt. Door het eindeloos staren naar zijn beeldscherm heeft hij, net als een wasbeer, kringen om zijn ogen. 
Raider: iemand die een  overval pleegt. In Amerika: corporate raider. In Engeland: asset stripper.  Jewish dentist defense,  macaroni defense,  panty raid,  people pill,  shark repellent,  slam dunk,  white knight. 
Rainmaker: effectenbankier of grote institutionele belegger die de commissionair of  hoekman(sbedrijf) aan belangrijke transacties helpt, waarvoor de rainmaker op zijn beurt provisie ontvangt. 

Rally: plotselinge prijsstijging van effecten; vaak na een periode van prijsdalingen. 

Random walk: theorie die zegt dat de kans dat de koersen stijgen of dalen elke dag opnieuw 50/50 is. De theorie zegt ook dat het niet verstandig is al je eieren in één mandje te leggen, met andere woorden: portfolio diversificatie verbetert de kansen van de "random walker". 

Rapportageregeling baisseposities: regeling van de Amsterdamse effectenbeurs, waarin o.a. staat dat de door de leden gerapporteerde baisseposities tweemaal per maand moeten worden gepubliceerd wanneer zij de duizend aandelen overschrijden.  baissepositie. 

Rating credit rating agency. 

Reactie: eufemisme voor scherpe koersval.  beursstemmingen. 

Real-time index: op elk moment bijgehouden index die als totale barometer van het klimaat op de nationale beurzen fungeert. 

Recessie: economische achteruitgang. 

Recovery funds: Britse benaming voor beleggingsfondsen die zich concentreren op organisaties waarvan de winsten en aandelenkoersen zijn ingestort, in de hoop op koersherstel. Risicovol.  beleggingsfonds,  risk capital. 

Red herring: concept  emissieprospectus in de V.S. De naam is afkomstig van de in rood gedrukte waarschuwing op de kaft van de prospectus, die vermeldt dat niet alle informatie met betrekking tot de  emissie is opgenomen en dat een deel van de gegevens in de uiteindelijke prospectus nog gewijzigd kan worden. 

Reële rente: nominale rente min inflatie.  

Refcorp: Amerikaanse instelling die kapitaal vergaart om de problemen bij geruïneerde Amerikaanse spaarbanken op te lossen.  RTC. 

Rendement: opbrengst van effecten op basis van de beurswaarde van het geïnvesteerd vermogen.  

Rentabiliteit: de mate van winstgevendheid van de onderneming, die meestal wordt uitgedrukt in verhoudingsgetallen. Rentabiliteit eigen vermogen = netto bedrijfsresultaat gedeeld door geïnvesteerd eigen vermogen. Rentabiliteit totaal vermogen = netto bedrijfsresul­taat plus betaalde rente gedeeld door totaal geïnvesteerd vermogen. 

Rentedragende stukken: waardepapieren waarop geen dividend wordt ontvangen maar rente, bij voorbeeld obligaties. 

Renteswaps: durfkapitaal.  risk capital,  swaps. 

Rentevrijstelling: met betrekking tot de inkomstenbelasting: er geldt een rentevrijstelling van ¦ 1000,- voor alleenstaanden en van ¦ 2000,- voor gehuwden, plus ¦ 500,- voor ieder minderjarig kind. 

Report agio. 

Risicodragende stukken: eigen vermogen plus achtergesteld vreemd vermogen. 

Risk capital: durfkapitaal. Kapitaal dat wordt uitgetrokken om te beleggen in een onderneming die geen garanties kan geven. De kans op verlies is aanwezig, hoewel er ook kans is op aanmerkelijke winst. 

ROEFEX: Rotterdam Energy Futures Exchange. Olietermijnmarkt die op 30 oktober 1989 door de toenmalige minister van Financiën Ruding werd geopend en op 26 september 1990 werd gesloten omdat het een commerciële flop bleek te zijn. 

Rocks: aandelen Xerox. 

Royeren: het doorhalen van een bestens- of gelimiteerde aan- of verkooporder. 

RTC: Resolution Trust Corporation. Amerikaanse federale overheidsinstantie die de noodlijdende spaarbanken ("savings and loan industry" of "thrifts") moet saneren. Ressorteert onder de Federal Deposit Insurance Company (FDIC).  

Ruilorder: gecombineerde aan- en verkooporder. De koop mag niet doorgaan als de verkoop niet uitgevoerd is, en omgekeerd.  bestensorder,  dagorder,  doorlopende order,  gelimiteerde order,  stop-loss order,  zonder forceren. 

Run-up: opwaartse beweging van de koersen op de financiële markten. 

S
Sallie Mae: (obligatie van de) Student Loan Marketing Associati­on.  Fannie Mae,  Freddie Mac. 
Samengestelde leading indicator: gemiddelde van verschillende leading indicators. Wanneer deze indicator bij voorbeeld begint te dalen, hetgeen impliceert dat de gemiddelde leading indicator een groeivertragend effect gaat krijgen, zal de top van de  economische groeicyclus binnen niet al te lange tijd worden bereikt.  conjunctuurbarometer,  lead-lag methode. 
Savings and Loan Industry: spaar- en financieringsbanken in de V.S. Ook: thrifts.  Refcorp RTC. 

Schatkistpapier: schuldbekentenissen van de overheid, te verdelen in: Schatkistpromessen, looptijd maximaal 1 jaar; schatkistbiljetten, looptijd maximaal 5 jaar; schatkistcertificaten, looptijd 10 jaar. In België zijn alle schatkistpapieren schatkistcertificaten. 

Schrijven emitteren. Ook: afgeven van opties. 

SCP: Sociaal en Cultureel Planbureau. 

Scrip issue: extra uitgifte van aandelen aan bestaande aandeelhouders. Meestal als vorm van  dividend. 

SDR: Special Drawing Rights. Bijzondere trekkingsrechten. Reservemiddel door het  IMF gecreëerd, waarvan de waarde is gebaseerd op een "mandje" van valuta's, te weten: Amerikaanse dollar, Duitse mark, Yen, Franse franc, en Engelse pond. 

SEAQ: elektronische beursvloer van Londen.  elektronische vloer NASDAQ,  program-trading. 

SEC: Security and Exchange Commission. Amerikaanse beurscommissie, onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de Amerikaanse beurzen. De SEC kent een groot aantal regels, de zogenaamde SEC-rules. Overtreding van de regels is strafbaar en in een aantal gevallen zelfs een misdrijf in de zin van de strafwet.  watc­hdog. 

Seller's market: markt waarop de vraag groter is dan het aanbod, waardoor de verkopers tot op zekere hoogte de prijzen kunnen bepalen.  buyer's market. 

SER: Sociaal Economische Raad. 

SFO: Serious Fraude Office. Het bureau fraudebestrijding van Scotland Yard. 

Shark repellent: iemand die een  verval of fusie voorkomt.  raider. 

Short-positie: situatie waarbij iemand de aandelen die hij heeft verkocht nog moet inkopen en afleveren. "Short gaan" betekent dus: het verkopen van aandelen die men nog niet in bezit heeft. Ook: in de wind. 

Short squeeze: verschijnsel waarbij de ingenomen  baissepositie moet worden ingedekt, hetgeen koersstijgingen aanwakkert. 

Slam dunk: basketbalterm. Een krachtige score, zonder noemenswaardige oppositie. Vaak gebruikt bij (ongewenste) bedrijfsovernames.  raider.  

Solvabiliteit: de mate waarin de onderneming in staat is te allen tijde aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Extern wordt dit vaak afgemeten aan de dekking die het eigen vermogen verschaft aan de houders van het vreemde vermogen (= verhouding gemiddeld eigen vermogen / gemiddeld totaal geïnvesteerde vermogen).  liquiditeit. 

Sour crude: zware soort ruwe olie die o.a. meer zwavel bevat dan  sweet crude. Hoe zwaarder de olie, hoe hoger de kosten van het raffineren.  Brent,  Dubai,  Platt's notering WTI. 

Specialist: hoekman. De specialists hebben ieder een aantal fondsen onder hun hoede, waarvoor ze de handel op gang moeten houden. Ze moeten zorgen dat er aanbod is bij een ruime vraag, en andersom. Ze nemen orders aan van brokers, maar handelen ook voor eigen rekening. Op de  NYSE werken zo'n 52 organisaties als specialist.  broker,  fonds,  hoekman(sbedrijf). 

Speculatief: onzeker. 

Speculeren: gokken; een bestemming geven aan gespaard of geleend geld, in de hoop op een snelle winst. 

Spilkoers: vastgestelde wisselkoers in het  EMS.­ 

Splitsing van obligaties: de  mantel en het  couponblad van een  obligatie kunnen van elkaar worden gescheiden. De mantel kan vaak beneden  pari worden verworven, terwijl 100% wordt betaald op het moment van aflossing. Het voordeel van het kopen van de mantel is dat er geen jaarlijkse rente-uitkering hoeft te worden herbelegd. Voor sommigen, bij voorbeeld stichtingen, heeft het ontvangen van couponrente geen fiscale consequenties, zodat zij meer geïnteresseerd zijn in het coupongedeelte.  bloot eigendom IOPO,  nulcouponobligatie,  strips,  zerobond. 

Spot market: de open markt, waar ter plekke (on the spot) goederen worden verhandeld, of  futures die de lopende maand aflopen. 

Spread: 1.Het verschil tussen het bod en de vraagprijs. Vraagprijs = 20, bod = 19, spread = 1. 2.Begrip van de optiebeurs. Met spreads beoogt men te kunnen profiteren van een bepaalde trend van de beurzen. Bull spread: men probeert te profiteren van een waarschijnlijk opwaartse trend. Bear spread: men probeert te profiteren van een waarschijnlijk dalende trend.  TED-spread. 

Stag: speculant op de beurs die probeert te verdienen aan pas geëmitteerde effecten, door ze met winst te verkopen.  emissie.  

Stale bull: handelaar op de effecten- of termijnmarkt die op papier winst heeft, maar deze winst bij gebrek aan kopers niet in geld kan omzetten. 

Standard & Poor's: beleggingsadviesbureau in de V.S. S&P's voeren o.a. de volgende indexen: Industrial, Transport, Finance en de algemeen gemiddelde index. (500 stocks)  credit rating agency,  index. 

STAQS elektronische vloer waar vijf Chinese beurzen en achttien effectenmakelaars op zijn aangesloten. Voorlopig uitsluitend voor de handel in Chinese staatsobligaties. 

Static-hedging: het uit voorzorg verkopen van termijncontracten, ongeacht het beursverloop.  dynamic-hedging,  hedging,  program-trading. 

STE: Stichting Toezicht Effectenverkeer. 

Sterfhuisconstructie: splitsing van een onderneming in winstgevende en verlieslatende delen.  

Stieren: degenen die gokken op een koersstijging. Ook: haussiers.  beren. 

Stierenmarkt: tijd van stijgende koersen.  berenmarkt. 

Stilleggen van de computerhandel: de reglementen van bij voorbeeld de Newyorkse beurs schrijven voor dat de computerhandel moet worden gestaakt wanneer de Dow Jones-index voor 30 industriële aandelen 50 punten of meer is gedaald. 

Stockdividend: dividend dat wordt uitgekeerd in de vorm van aandelen, in plaats van contanten.  cashdividend. 

Stockjobber: hoekman op de Londense Stock Exchange.  hoekman(sbedrijf). 

Stock-option: het recht dat aan (hogere) personeelsleden wordt toegekend om gedurende een bepaalde termijn (meestal een aantal jaren) aandelen in de eigen onderneming te mogen kopen.  

Stock-owning trust aandelenfusie. 

Storneren: het uithalen van een  affaire. 

Stop-loss order: verkoopopdracht met het doel verliezen te beperken bij dalende koersen. De verkoop komt tot stand op de afgesproken stop-loss limit of de eerste koers daaronder.  bestensorder,  dagorder,  doorlopende order,  gelimiteerde order,  ruilorder,  zonder forceren. 

Straddle: begrip van de optiebeurs. Men verkoopt tegelijk put-opties (puts) en call-opties (calls) van dezelfde effecten. De afnemers van de puts en calls gokken tegen betaling van premie op resp. een koersdaling en een koersstijging. Ook: dubbele sandwich.  call-optie,  put-optie,  spread. 

Strafbankje: het beursbestuur kan aan de beurs genoteerde fondsen als strafmaatregel naar "het strafbankje" verwijzen. De effecten van dat fonds mogen dan niet meer op de officiële beurs worden verhandeld. Wanneer het fonds weer voldoet aan de eisen die aan een notering worden gesteld, mag het terug in de officiële notering. Ook: "opschorting van de notering" of "schorsing".  fonds. 

Straight bond: obligatie met een vaste rente. 

Street, the : Wall Street. 

Strips: Amerikaanse staatsobligaties die door daartoe bevoegde instellingen van de  coupon zijn ontdaan. Het zijn dan obligaties zonder rente geworden. Door een wetswijziging worden de koerswinsten op strips tegenwoordig door de Nederlandse fiscus belast, behalve de koerswinst op strips die voor 18-12-1987 zijn gekocht. 

Stroppenpot VAR. 

Stukken: alle mogelijke verhandelbare waardepapieren. 

Surplusobligatie: een vorm van achtergestelde obligaties, waarbij het nadeel van de achterstelling wordt gecompenseerd door een surplusrente.  achtergesteld. 

Swaps: algemeen: het kopen van het ene stuk en het verkopen van een ander. Meestal gebruikt met betrekking tot de handel in termijncontracten en valuta-opties, om zich in te dekken tegen valutarisico's. 

Sweet crude: lichte soort ruwe olie, waaruit veel lichte produkten kunnen worden gemaakt, zoals benzine, diesel en huisbrandolie. De prijs per vat is daarom hoger dan die van de  sour crude.  Brent,  Dubai,  Platt's notering WTI. 

Syndicaat: groep emissiebanken.  emissiebank. 

T
Technisch analist: iemand die het historisch koersverloop van aandelen en obligaties bestudeert om het toekomstig koersverloop te kunnen voorspellen.  analist,  fundamenteel analist. 
TED-spread: het verschil tussen de  LIBOR en het rentepercentage van kortlopend Amerikaans  schatkistpapier. De TED-spread wordt groter of kleiner naarmate de rente stijgt of daalt. 
Tender-/toonbankuitgifte: staatslening die begint volgens het  tendersysteem en na een van tevoren vastgestelde datum toonbankuitgifte wordt, waarbij de koers dagelijks wordt vastgesteld en doorlopend aanpasbaar is.  toonbanksysteem. 

Tendersysteem: de inschrijver op een  emissie moet hierbij opgeven hoeveel effecten hij wil hebben en welke koers hij bereid is daarvoor te betalen. Ook: Amerikaanse tender. 

Termijnhandel: het kopen en verkopen van effecten/goederen voor levering op een toekomstig tijdstip, met de bedoeling die effecten/goederen op dat overeengekomen tijdstip niet te ontvangen, noch te leveren, maar de contracten af te wikkelen door het prijsverschil te verrekenen.  

Termijnmarkt termijnhandel. Enkele belangrijke termijnmarkten zijn: Chicago, Singapore, Londen, New York, Winnipeg en Amsterdam. 

Thesaurier: beheerder van de schatkist. 

Thrift-industry: spaar- en financieringsbanken in de V.S. Ook: "thrifts" of "Savings and Loan Industry".  Refcorp RTC. 

Toelaatbaar beroep op de bank contingent. 

Tontine-stelsel: vernoemd naar bedenker Lorenzo Tonti. Spaarkas-systeem. Een groep mensen spaart samen; aan het eind van de spaartermijn worden het geld en het  rendement onder de inleggers verdeeld. 

Toonbanksysteem: het verstrekken van (staats)obligaties tegen een dagelijks bij te stellen koers. De duur van de afgifte is afhankelijk van de marktomstandigheden. Wanneer genoeg geld binnen is, wordt de toonbank gesloten.  tender-/toonbankuitgifte,  tendersysteem. 

Toondereffecten: effecten zonder naamaanduiding. 

Totaalcoupure: de uitgeschreven lening wordt op een enkel obligatiebewijs uitgebracht. 

Total return: koerswinst plus  dividend. 

Treasury-afdeling: de afdeling treasury van een (Nederlandse) gemeente houdt zich bezig met het centrale saldo- en liquiditeitsbeheer van verschillende gemeentelijke diensten. Nieuw verschijnsel. Den Haag was in Nederland de eerste gemeente met een centrale treasury-afdeling. 

Treasury bill: Amerikaans kortlopend  schatkistpapier. Ook: treasury bond. 

Trendlijn: koersrichting zoals aangegeven op de grafieken van kaartlezers.  chart. 

Triple witching days: koersschommelingen op de dagen dat de driemaandelijkse afwikkeling van  futures en opties samenvalt.  option cycles. 

U
UCITS: Undertakings for Collective Investment in Transferable Securities. Speciale aandelen in door de E.G. goedgekeurde beleggingsfondsen. 
Uitloten: via loting wordt bepaald welke premie-obligaties worden afgelost, dan wel een premie krijgen. Uitloting geschiedt door een notaris en wordt gepubliceerd. 
Uitoefenen: gebruik maken van het recht tot koop of verkoop van opties.  call-optie,  put-optie. 

Underwriter: lett.: onderschrijver. Meestal een  emissie­bank. Men gaat ermee akkoord een bepaald gedeelte van een  emissie van een bedrijf te kopen wanneer er onvoldoende door het publiek wordt gekocht. Ook: tussenpersoon bij Britse verzekeringsmaatschappij. 

Unit trust: beleggersfonds dat grote hoeveelheden effecten koopt en deze als aandelen (units) in het totaalbezit verkoopt aan het publiek. De dividenden worden uitgeloot en over de aandeelhouders verdeeld. Banken of verzekeringsmaatschappijen treden vaak op als gevolmachtigde. In Amerika: mutual funds.  

Upgrading: opwaardering van een  fonds.  credit rating agency,  downgrading. 

V
Vangnet-constructie: afspraak van een aantal grote, kapitaalkrachtige beleggers om een  fonds (bedrijf) te redden door het te kopen zodra de prijs ervan een afgesproken bodem doorbreekt. 
Van jou: op de beurs gebezigde term voor "kopen".  aan jou. 
VAR: Voorziening Algemene bedrijfsRisico's. Stroppenpot van de banken. 

Variabele hypotheek: eigenlijk: rentevariabele hypotheek. Als een huis meer waard wordt, kan er meer geld worden geleend. 

Vast beursstemmingen. 

VBA: Vereniging van Beleggingsanalisten. 

VEB: Vereniging van Effectenbezitters. 

Venture Capital Investment: Krediet dat wordt verstrekt aan nieuw opgerichte ondernemingen. De verliesfactor is hoog.  MBI. 

Verdeeld beursstemmingen. 

Vereniging voor de Effectenhandel: Amsterdamse effectenbeurs. 

Vervaldatum: dag waarop een  obligatie of  wissel betaalbaar moet worden gesteld. Ook: maturity. 

Verzamelcoupures: obligatiebewijzen waarbij een aantal kleinere coupures zijn gebundeld tot een grote, om het in omloop zijnde aantal  stukken terug te brengen. 

VEUO: Vereniging van Effecten Uitgevende Ondernemingen. De vereniging van ondernemingen die op de beurs staan genoteerd. 

VFN: Vereniging van Financieringsondernemingen. 

Vloer: plaats in het beursgebouw waar wordt gehandeld.  hoek. 

Volstorten: het voldoen van het nog niet betaalde deel van het nominaal effectenbedrag. 

Voorschotrente: de rente die de banken betalen als zij, tegen onderpand, geld lenen bij de centrale bank. Ook: Lombardtarief. 

Vreemd vermogen: krediet, in tegenstelling tot eigen vermogen. 

Vriendelijk beursstemmingen. 

W
Wall Street: straat in het financiële district van Manhattan (New York City) waar zich het centrum van de Amerikaanse effectenhandel bevindt. Ook: the Street. 
Warrant: papier dat recht geeft om tegen een vooraf vastgestelde koers een bepaald vooraf vastgesteld aantal aandelen te verwerven in de onderneming die de warrant uitgeeft. Niet te vergelijken met een  optie, die niet door de onderneming, maar door de  aandeelhouder wordt afgegeven.  
Warrantlening: de  obligatiehouder ontvangt naast de jaarlijkse rentebetalingen nog een of meer warrants.Is na splitsing belastbaar voor de inkomstenbelasting en wordt dan gezien als een  deep discountbond. 

Watchdog: lett.: waakhond. Ambtenaar van de  SEC. 

Wet Effectenhandel: deze wet is op 1 juli 1986 in werking getreden en beoogt beleggers bescherming te bieden tegen misleidende beleggingsaanbiedingen. 

WGVB: Werkgeversvereniging voor het Bankbedrijf. Bijna alle Nederlandse banken zijn bij de WGVB aangesloten. 

White knight: lett.: witte ridder. Iemand die een bedrijf behoedt voor een ongewenste overname door dat bedrijf zelf over te nemen.  raider. 

Willig beursstemmingen. 

Wind in de wind. 

Windfall: een plotseling, onverwacht voordeel. 

Windhandel: zuiver speculatieve handel die alleen wordt gedreven met het oog op winst en tegen prijzen die elke reële basis missen. Vaak wordt er niets (wind) geleverd of ontvangen. Soms wordt met windhandel een baissetransactie bedoeld. baisse. 

Winstdelende obligatie: indien het  rendement naast rente ook een aandeel in de winst bevat. 

Winst nemen: verkoop van  stukken met het doel de opgetreden koerswinst te realiseren.  uitoefenen. 

Wissel: wisselbrief. Papier waarin de ondertekenaar aan een ander opdracht geeft op een bepaalde datum een bepaald bedrag aan de houder van dat papier te betalen. Ook: bill of exchange.  verval­datum. 

Wisselagent: de enige persoon in België die verhandelingen op de beurs mag doen. 

Wisseldisconto: het tarief dat De Nederlandsche Bank in rekening brengt bij aankoop van discontabel papier (voornamelijk  schatkistpapier). 

Wooden ticket: lett.: houten kaartje. Deze uitdrukking wordt gebruikt voor het bevestigen van een order, zonder dat de opdracht daadwerkelijk is uitge­voerd. De handelaar/makelaar verwacht zelf meer winst te kunnen maken door het uitvoeren van de opdracht enige tijd uit te stellen. Zeer onethisch. 

WTI: West Texas Intermediate. Een mengsel van oliesoorten gewonnen in de V.S. WTI is een  sweet crude.  Brent,  Dubai,  Platt's notering,  sour crude. 

X
XMI: index van de American Stock Exchange.  AMEX,  index. 
Y
Yield rendement van effecten. 
Yield gap: rendementsverschil. Verschil tussen het  rendement van gewone obligaties en dat van staatsobligaties. De uitdrukking wordt voornamelijk in Groot-Brittannië gebezigd.  
Z
Zeer flauw beursstemmingen. 
Zeer vast beursstemmingen. 
Zerobond nulcouponobligatie. Ook: "zero" of "zerocoupon". 

Zonder forceren: toevoeging bij een aan- of verkooporder. Bij grote afwijkingen moeten er nieuwe instructies worden gevraagd.  bestensorder,  dagorder,  gelimiteerde order,  ruilorder,  stop-loss order. 

Geraadpleegde literatuur
Baken, P.H.F., Ottenheym, A.G.H., Het fiscale ABC van het beleggen, Bruna, Utrecht 1989.  
Bloem, P.A., Wisborg, Ad, De optiebeurs, Ad Donker, Rotterdam 1987. 
Heertje, A., Elementaire economie, H.E. Stenfert Kroese, Leiden 1977. 

Hoogenhout, Harry, Succesvol beleggen, Bruna, Utrecht 1986. 

Lekane, E., Algemene economie-gids, NIB, Zeist 1989. 

Lewis, Michael, Blufpoker!, Uitgeverij Balans, Amsterdam 1991. 

Pessin, Allan H., Ross, Joseph A., Still More Words of Wall Street, Business One Irwin, Homewood Illinois 1990. 

Pessin, Allan H., Ross, Joseph A., Words of Wall Street, Dow Jones-Irwin, Homewood Illinois 1983. 

Post, J.G., Strategisch beleggen aan de hand van economische barometers, Het Spectrum, Utrecht 1987. 

Ven, Pauline van de, De beurskrach van '87, Uitgeverij Balans, Amsterdam 1988. 

Ven, Pauline van de, Stop-loss! Beleggen en speculeren op de beurs, Uitgeverij Balans, Amsterdam 1988. 

 

 
©Copyrights  Jaap van der Wijk